Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2021 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante exploiteert een vleesveehouderij en zoogkoeienbedrijf en betwist de classificatie van zeven dieren als zoogkoeien in plaats van melkvee voor de vaststelling van fosfaatrechten op basis van de Meststoffenwet. Zij stelt dat het bedrijf in 2015 in transitie was en dat de dieren ten behoeve van een andere melkveehouderij werden gehouden, waardoor zij recht zou hebben op fosfaatrechten.
Verweerder stelt dat appellante sinds 2011 geen melkvee meer hield en dat de zeven dieren terecht in diercategorie 120 (weide- en zoogkoeien) zijn geplaatst, ondersteund door gecombineerde opgaven, Kamer van Koophandel-inschrijving en het I&R-systeem. De dieren zijn geregistreerd als zoogkoeien en zes van de zeven hebben geen melk meer gegeven op de peildatum.
Het College stelt dat de bestemming van de dieren op de peildatum bepalend is en dat het I&R-systeem leidend is voor de classificatie. Appellante heeft haar stelling dat de dieren economisch eigendom van een andere melkveehouderij waren niet objectief onderbouwd. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft het fosfaatrecht op 0 kg vastgesteld.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de classificatie van zeven dieren als zoogkoeien wordt ongegrond verklaard.