Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2021 in de zaak tussen
2. [naam 2] B.V., appellante 2
te [plaats] ,
appellanten
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellanten hebben de overgang van 8.751,9 varkenseenheden van hun bedrijf buiten een concentratiegebied naar een bedrijf in het concentratiegebied Zuid gemeld. Appellante 2 verwerkt de geproduceerde mest via vergisting en hygiënisering tot mestkorrels die geëxporteerd worden.
Verweerder weigerde de registratie van deze overgang omdat appellanten niet aannemelijk maakten dat het eindproduct buiten de markt voor dierlijke mest wordt gehouden, zoals vereist in artikel 26, zevende lid, van de Meststoffenwet. Appellanten betoogden dat het eindproduct geen dierlijke mest meer is en dat de markt beperkt is tot Nederland.
Het College oordeelt dat het begrip 'dierlijke mest' in artikel 26, zevende lid, gelijk moet worden gesteld aan 'dierlijke meststoffen' en dat het eindproduct nog steeds als dierlijke mest moet worden beschouwd. Tevens is de markt voor dierlijke mest niet beperkt tot Nederland, maar betreft het de plaats waar vraag en aanbod elkaar ontmoeten. De weigering van verweerder is daarom terecht en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot registratie van de overgang van varkenseenheden is terecht.