ECLI:NL:CBB:2021:154
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit fosfaatrecht wegens motiveringsgebrek zonder wijziging rechtsgevolgen
Appellante, een melkveebedrijf, betwistte het door verweerder vastgestelde fosfaatrecht op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet. Het bezwaar werd door verweerder ongegrond verklaard, waarna appellante beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel niet gebaseerd is op een toereikende grondslag in de Nitraatrichtlijn en dat het stelsel ongeoorloofde staatssteun oplevert. Verweerder verklaarde deze beroepsgronden niet-ontvankelijk en motiveerde het besluit onvoldoende.
Het College oordeelde dat verweerder ten onrechte niet op de beroepsgronden is ingegaan en het bezwaar onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Desondanks gaf verweerder in het beroepschrift alsnog een juiste en volledige motivering waarom het fosfaatrechtenstelsel noodzakelijk is en geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun, onder verwijzing naar eerdere uitspraken en een Europese Commissie goedkeuringsbeschikking.
Het beroep werd gegrond verklaard vanwege het motiveringsgebrek en het bestreden besluit vernietigd. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand, zodat verweerder geen nieuwe beslissing hoeft te nemen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.