Uitspraak
(gemachtigden: mr. G. Koop en mr. C.W.M. Lieverse),
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante, een aangesloten onderneming onder een collectieve vergunning van [naam 2], verzocht de AFM om handhaving tegen zichzelf en maakte bezwaar tegen een brief van AFM aan de centrale rechtspersoon over beleidsaanpassingen. De AFM weigerde handhavend op te treden jegens appellante en verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de brief van AFM geen besluit is en dat AFM terecht geen handhavend optreden jegens appellante verrichtte.
In hoger beroep bevestigde het College dat de opdracht tot naleving van de wet- en regelgeving gericht is aan de centrale rechtspersoon ([naam 2]) en dat de AFM daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden tegen de aangesloten onderneming zelf. De brief van AFM is geen besluit in de zin van de Awb en kan niet worden gelijkgesteld met een zelfstandig en definitief rechtsoordeel waarop rechtsmiddelen openstaan.
Het College benadrukte dat als de aangesloten onderneming in strijd handelt met de regelgeving, de collectieve vergunninghouder daarop wordt aangesproken alsof het zijn eigen handelen betreft. Er was geen aanleiding voor handhaving omdat de centrale rechtspersoon handelde conform de minimale vereisten. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat AFM niet bevoegd is handhavend op te treden jegens de aangesloten onderneming.