Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 december 2020 op het hoger beroep van:
(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante stelde hoger beroep in tegen een boete van €2.500,- wegens overtreding van artikel 2.7, tweede lid, aanhef en sub f, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.8 van het Besluit houders van dieren en artikel 23 van Pro Verordening (EU) 470/2009. De boete was opgelegd omdat een big die appellante verkocht had, een overschrijding van de toegestane residulimiet van benzylpenicilline bevatte.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het bewijs voldoende was dat de big afkomstig was van appellante en dat het middel tijdens haar houderschap was toegediend. Het Duitse onderzoeksinstituut in Karlsruhe had de overschrijding vastgesteld en dit bewijs werd niet betwist. Appellante voerde aan dat zij niet wist van de doorverkoop en dat het middel mogelijk later was toegediend, maar dit werd door de rechtbank verworpen.
In hoger beroep handhaafde het College de uitspraak van de rechtbank. Het oordeelde dat de bemonstering en analyse in Duitsland rechtsgeldig waren en dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het middel na haar levering was toegediend. Ook het ontbreken van contra-expertise stond niet aan de boete in de weg. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de boete bevestigd.
Uitkomst: Het College bevestigt de boete van €2.500,- wegens het in het handelsverkeer brengen van een big met overschrijding van de residulimiet benzylpenicilline.