ECLI:NL:CBB:2020:947
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling fosfaatrecht op grond van Meststoffenwet
Appellante, exploitant van een melkveehouderij, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin het fosfaatrecht van haar bedrijf werd vastgesteld op basis van de Meststoffenwet. Het primaire besluit werd gehandhaafd in het bestreden besluit, waarbij het fosfaatrecht werd vastgesteld op 4.771 kg, met toepassing van een generieke korting van 8,3%.
Appellante voerde aan dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten en dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Tevens stelde zij dat het bestreden besluit zou lijden aan een motiveringsgebrek. Verweerder betwistte deze gronden en verwees naar eerdere uitspraken van het College en een goedkeuringsbeschikking van de Europese Commissie.
Het College oordeelde dat de aangevoerde gronden niet slagen. Het betoog over de Nitraatrichtlijn en staatssteun faalt, mede gelet op eerdere uitspraken van het College. Ook is geen sprake van een motiveringsgebrek, aangezien verweerder inhoudelijk op de gronden van appellante is ingegaan. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit tot vaststelling van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.