Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 november 2020 in de zaak tussen
[naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellant
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Op 24 september 2018 is omstreeks 10:50 door het COKZ een controle hygiëne melkwinning uitgevoerd bij [naam 2] [naam en adres van appellant].
(…)"
17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) is dat appellant verplicht is tot medewerking aan controles ter plaatse. Hierbij verwijst hij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 16 juni 2011, Marija Omejc, C-536/09 (ECLI:EU:C:2011:398) waarbij is geoordeeld dat "de uitvoering van een controle ter plaatse verhindert" niet alleen betrekking heeft op opzettelijke gedragingen maar ook op elk aan de nalatigheid van de landbouwer of zijn vertegenwoordiger toe te schrijven handelen of nalaten waardoor de controle ter plaatse niet volledig kon worden uitgevoerd, wanneer deze landbouwer of zijn vertegenwoordiger niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd om te waarborgen dat deze controle volledig wordt uitgevoerd. Aangezien appellant door de achterdeur richting het weiland vertrok, de toezichthouder niet te woord heeft gestaan en via de dierenarts te kennen heeft gegeven geen behoefte te hebben iemand te spreken en dit gedurende de hele controle niet is veranderd, heeft appellant volgens verweerder de controle ter plaatse verhinderd.