ECLI:NL:CBB:2020:518
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen afwijzing verzoek tot herziening GLB-besluiten wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft in haar Gecombineerde opgave 2015 betalingsrechten aangevraagd voor perceel 8 en private overeenkomsten opgegeven voor percelen 5 en 28, welke verweerder aanvankelijk niet als subsidiabele landbouwgrond aanmerkte. Na een eerdere uitspraak van het College werd het besluit over perceel 8 herroepen, maar de besluiten over de private overeenkomsten bleven ongewijzigd. Appellante verzocht vervolgens om herziening van deze besluiten, stellende dat het onverbindend verklaren van een wettelijke regeling en het feit dat perceel 28 in 2016 wel als subsidiabel was aangemerkt, nieuwe feiten vormden.
Verweerder wees het verzoek af op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd. Het College overwoog dat een rechterlijke uitspraak geen nieuw feit is en dat de formele rechtskracht van eerdere besluiten blijft gelden, ook als de regeling onverbindend is verklaard. Bovendien had de verhuurder van de percelen de mogelijkheid om rechtsmiddelen te benutten, wat niet volledig is gedaan.
Het College concludeerde dat het standpunt van verweerder terecht was en dat het besluit niet evident onredelijk was. Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en wees het verzoek tot herziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek tot herziening van GLB-besluiten is ongegrond verklaard.