ECLI:NL:CBB:2020:1020
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling knelgevallenregeling fosfaatrecht bij dierziekte en bedrijfseconomische keuzes
Appellante exploiteert een melkveehouderij en voerde beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw over het vastgestelde fosfaatrecht op haar bedrijf per 1 januari 2018. Zij stelde dat vanwege een dierziekte en bedrijfseconomische keuzes het aantal fosfaatrechten onterecht was vastgesteld en dat zij in aanmerking kwam voor de knelgevallenregeling volgens artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet.
De kern van het geschil betrof de juiste toepassing van de knelgevallenregeling en de peildatum voor de dierenaantallen en melkproductie. Appellante voerde aan dat een alternatieve peildatum in juni 2015 en een hogere melkproductie als uitgangspunt dienden te gelden, wat zou leiden tot een verhoging van het fosfaatrecht. Verweerder handhaafde het besluit op basis van de situatie op 2 juli 2015 en een lager excretieforfait.
Het College oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een beperkte knelgevallenregeling waarbij niet gerealiseerde uitbreidingen niet worden meegenomen. De alternatieve peildatum en de berekening van het excretieforfait waren niet voldoende onderbouwd en er was geen causaal verband tussen de dierziekte en het lagere fosfaatrecht, omdat dieren waren afgevoerd vanwege bedrijfseconomische redenen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Wel werd vastgesteld dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevatte, maar dit werd gepasseerd omdat het geen nadelige gevolgen had voor appellante. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan appellante.