Appellante, een vennootschap onder firma, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende de uitbetaling van basis- en vergroeningsbetalingen en de extra betaling voor jonge landbouwers over 2016.
Het geschil betrof voornamelijk de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van diverse percelen, met name perceel 24, en de afwijzing van de extra betaling jonge landbouwers. Het College oordeelde dat het bestreden besluit onrechtmatig was voor wat betreft perceel 24, omdat verweerder de oppervlakte onjuist had vastgesteld. Dit deel van het besluit werd vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen acht weken.
Ten aanzien van de overige percelen, waaronder 11 en 18, bevestigde het College de vastgestelde oppervlaktes en oordeelde dat de grenzen terecht op de waterlijn waren gelegd. De afwijzing van de extra betaling jonge landbouwers werd eveneens bevestigd, omdat de eerste vestiging van een jonge landbouwer in de vennootschap dateerde van 2010, waardoor de maximale periode van vijf jaar voor deze betaling in 2016 was verstreken.
Het College stelde vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep was overschreden, maar kende geen schadevergoeding toe vanwege de geringe overschrijding. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, vastgesteld op €1.052,- inclusief een vergoeding voor het betaalde griffierecht.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 5 maart 2019.