ECLI:NL:CBB:2019:647
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.L. van der Beek
- E.R. Eggeraat
- J.H. de Wildt
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijk beroep tegen vaststelling melkveefosfaatreferentie zonder jongvee elders
Appellante, een melkveehouder, stelde dat bij de vaststelling van haar melkveefosfaatreferentie (MVFR) in 2013 ten onrechte geen rekening was gehouden met circa 60 stuks jongvee die zij elders had ondergebracht. Zij voerde aan dat zij als houder van het jongvee moest worden aangemerkt omdat zij eigenaar was, de kosten droeg en beslissingen nam over het voer en de verzorging.
Verweerder stelde zich op het standpunt dat appellante geen houder was omdat zij geen zeggenschap had over de stal waar het jongvee verbleef en het jongvee feitelijk werd verzorgd door een andere landbouwer. Het College bevestigde dit standpunt en verwees naar de feitelijke situatie als maatstaf voor het begrip houder.
Het College oordeelde dat het ontbreken van zeggenschap over de stal en de feitelijke verzorging door de opfokker doorslaggevend waren. Ondanks het eigendom en de gemaakte kosten, kon appellante niet als houder worden aangemerkt. Daarom was het terecht dat het jongvee niet werd betrokken bij de vaststelling van de MVFR.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot vaststelling van de MVFR zonder rekening te houden met jongvee elders is ongegrond verklaard.