ECLI:NL:CBB:2019:372
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering verhoging fosfaatrecht wegens muizenplaag afgewezen
Appellant, een melkveehouder, voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw om het fosfaatrecht niet te verhogen ondanks een muizenplaag die in 2014 en 2015 op zijn bedrijf plaatsvond. Hij stelde dat de muizenplaag leidde tot een lagere ruwvoeropbrengst, waardoor hij dieren moest afvoeren en ruwvoer moest aankopen, wat de bedrijfsvoering negatief beïnvloedde. Tevens werd aangevoerd dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was en in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM was.
Het College overwoog dat de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet slechts van toepassing is op limitatief genoemde omstandigheden, waartoe een muizenplaag niet behoort. Het beroep op artikel 1 van Pro het EP werd eveneens verworpen, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een individuele buitensporige last. Het causale verband tussen de muizenplaag en de afvoer van dieren was niet aangetoond, noch de impact van het lagere fosfaatrecht op de bedrijfsvoering.
Verder wees het College erop dat de peildatum voor het fosfaatrecht voor alle melkveehouders geldt en niet onevenredig is. Ook het betoog dat de individuele omstandigheden onvoldoende waren betrokken in het besluit werd verworpen, omdat het besluit gemotiveerd inging op de door appellant gestelde omstandigheden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om het fosfaatrecht niet te verhogen wegens muizenplaag wordt ongegrond verklaard.