ECLI:NL:CBB:2019:264
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vrijstelling grondgebondenheid melkveehouderij op grond Meststoffenwet
Appellante exploiteert een melkveebedrijf en verzocht bij verweerder om vrijstelling van de grondgebondenheidseis zoals vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Verweerder wees dit verzoek af omdat appellante onvoldoende bewijs leverde dat zij financiële verplichtingen was aangegaan om het melkveefosfaatoverschot volledig te verwerken.
Na een bezwaarprocedure en een wijziging van het bestreden besluit bleef de weigering van vrijstelling gehandhaafd. Appellante stelde dat zij wel voldeed aan de voorwaarden en beriep zich tevens op haar eigendomsrecht onder het Eerste Protocol bij het EVRM, stellende dat de grondgebondenheidseis een disproportionele last voor haar betekende.
Het College oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd, zoals facturen of betalingsbewijzen, om haar stellingen te onderbouwen. Ook het beroep op het eigendomsrecht faalde omdat zij geen inzicht gaf in de gevolgen van de grondgebondenheidseis voor haar bedrijfsvoering en financiële positie.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om vrijstelling van de grondgebondenheidseis wordt ongegrond verklaard.