Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juni 2019 op de hoger beroepen van:
Stichting Autoriteit Financiële Markten, te Amsterdam (AFM)
PricewaterhouseCoopers Accountants N.V., te Amsterdam (PwC)
Procesverloop in hoger beroep
ECLI:NL:RBROT:2017:9977 (http://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:RBROT:2017:9977)), waarbij de rechtbank op dezelfde gronden een gelijkluidende beslissing heeft genomen.
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
11 juli 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA6456) en 7 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:40), biedt de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 14 van Pro de Wta geen grond om aan te nemen dat de wetgever ervan is uitgegaan dat, bijzondere omstandigheden daargelaten, nalatigheid van een accountantsorganisatie ten aanzien van haar zorgplicht aanwezig mag worden verondersteld wanneer haar externe accountants bij wettelijke controles niet hebben voldaan aan het bij of krachtens afdeling 3.2 van de Wta bepaalde.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
De eerste van de twee hogerberoepsgronden die AFM tegen de aangevallen uitspraak heeft ingediend, houdt, samengevat, in dat de rechtbank ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat schending van artikel 14 van Pro de Wta (in beginsel) niet kan worden gebaseerd op de geconstateerde ernstige tekortkomingen in de wettelijke controles. Volgens AFM miskent de rechtbank hiermee dat de wetgever met artikel 14 van Pro de Wta de accountantsorganisatie bewust een eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van wettelijke controles heeft gegeven. Daarnaast miskent de rechtbank volgens AFM dat artikel 14 van Pro de Wta een zelfstandige en ook zelfstandig te handhaven norm is, en dat de vraag of artikel 14 van Pro de Wta is geschonden losstaat van de vraag of artikel 18 van Pro de Wta en de bepalingen in hoofdstuk 5 van het Bta (omtrent, kort gezegd, het beleid ten aanzien van het stelsel van kwaliteitsbeheersing) al dan niet zijn nageleefd. AFM stelt dat zij PwC, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel degelijk een concreet verwijt maakt ten aanzien van de naleving van artikel 14 van Pro de Wta, namelijk dat PwC niet heeft voorkomen dat de aan haar verbonden externe accountants in vier wettelijke controles controleverklaringen hebben afgegeven, terwijl zij daarvoor niet over voldoende en geschikte controle-informatie beschikten en zij deze controleverklaringen dus niet in het maatschappelijk verkeer hadden mogen brengen. AFM is van mening dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in een dergelijk geval (waarbij hetgeen de gestelde norm tracht te voorkomen zich heeft verwezenlijkt) sprake is van een zorgplichtschending, tenzij PwC aannemelijk zou hebben gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarvan is echter niets gebleken. Naar de mening van AFM heeft de rechtbank dan ook een principieel onjuist oordeel geveld over de aard, strekking en toepassing van artikel 14 van Pro de Wta. Uit de argumenten die AFM naar voren heeft gebracht volgt dat een schending van artikel 14 van Pro de Wta wel degelijk kan worden gebaseerd op het feit dat PwC de ernstige tekortkomingen in de wettelijke controles niet zelf tijdig heeft ontdekt en hersteld, waardoor zij niet heeft voorkomen dat haar externe accountants namens haar controleverklaringen in het maatschappelijk verkeer hebben gebracht, terwijl deze externe accountants daarvoor geen voldoende en geen geschikte controle-informatie hebben verkregen.