Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.De bestreden uitspraak
3.Wettelijk kader
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Beoordeling van het tweede middel
6.Beslissing
7 februari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een vervoerder die op 25 september 2013 een vreemdeling zonder het vereiste Schengenvisum vanuit Minneapolis Saint Paul International naar Schiphol heeft vervoerd. De vervoerder werd veroordeeld wegens overtreding van artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat zij niet de nodige maatregelen had genomen om te voorkomen dat de vreemdeling zonder juiste documenten Nederland binnenkwam.
De verdediging voerde aan dat de plaats van het delict niet in Nederland lag en dat de vervoerder had voldaan aan haar zorgplicht, met een beroep op afwezigheid van alle schuld (avas). Het hof oordeelde echter dat Schiphol mede als plaats van het delict kan worden beschouwd omdat het delict is voltooid bij binnenkomst in Nederland en dat de vervoerder onvoldoende maatregelen had getroffen, omdat het ontbreken van het visum eenvoudig te constateren was.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof. De zorgplicht van de vervoerder is een inspanningsverplichting die vereist dat zij redelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat vreemdelingen zonder juiste documenten worden vervoerd. Het ontbreken van een visum in het paspoort was eenvoudig te ontdekken, en de vervoerder had meer maatregelen moeten treffen. Het beroep op afwezigheid van alle schuld faalt omdat de vervoerder niet de maximaal te vergen zorg heeft betracht.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt de veroordeling tot een geldboete van € 4000,- wegens overtreding van de Vreemdelingenwet 2000.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de vervoerder tot een geldboete van € 4000,- wegens het niet naleven van de zorgplicht bij het vervoeren van een vreemdeling zonder visum.