ECLI:NL:CBB:2019:230
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht en toepassing knelgevallenregeling afgewezen
Appellant betwistte de vaststelling van zijn fosfaatrecht door verweerder op grond van de Meststoffenwet en voerde aan dat ziekte op zijn bedrijf de fosfaatproductie onterecht had verlaagd. Verweerder stelde dat het fosfaatrecht berekend moest worden op basis van het aantal daadwerkelijk aanwezige dieren op de peildatum en wees het beroep af.
Het College oordeelde dat verweerder onjuist was uitgegaan van het aantal dieren op de peildatum bij de alternatieve peildatum en dat het bestreden besluit daarom vernietigd moest worden wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht. De knelgevallenregeling vereist dat het fosfaatrecht minimaal 5% lager is door buitengewone omstandigheden, wat hier niet werd aangetoond.
Het College volgde appellant niet in zijn betoog dat het melkquotum als uitgangspunt diende voor de berekening. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.