In deze zaak heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een subsidie van €100.000,- teruggevorderd op grond van de Regeling LNV-subsidies. Het primaire besluit tot terugvordering dateert van 4 april 2016, gevolgd door een bestreden besluit van 15 september 2016 waarin het bezwaar van appellant ongegrond werd verklaard. Appellant stelde beroep in tegen dit bestreden besluit.
Tijdens de zitting op 17 juli 2018 erkende verweerder dat geen expliciet besluit tot intrekking van de subsidievaststelling was genomen. Het College oordeelde dat een terugvordering van onverschuldigde subsidie slechts rechtmatig is indien een intrekkingsbesluit is genomen, omdat dit de publiekrechtelijke titel voor betaling doet vervallen. Het primaire besluit bevat geen aanknopingspunten voor een intrekking.
Daarom vernietigde het College het bestreden besluit en herroept het het primaire besluit. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellant. Het beroep werd gegrond verklaard omdat de terugvordering zonder intrekkingsbesluit niet rechtsgeldig is.