Appellante, een landbouwonderneming, betwistte de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van perceel 24 in haar landbouwbedrijf voor de GLB-betalingsrechten 2015. Verweerder had het perceel gesplitst in twee delen vanwege de aanwezigheid van greppels die als niet-subsidiabel landbouwareaal werden aangemerkt. Appellante stelde dat deze greppels ondiep zijn en het landbouwkundig gebruik niet belemmeren.
Verweerder voerde aan dat hij conform Europese regelgeving een marge van 2% toepast bij het vaststellen van referentiepercelen om stabiliteit te waarborgen. Het College oordeelde echter dat verweerder onduidelijk was over de reden waarom delen van het perceel niet subsidiabel werden geacht, mede omdat verweerder ter zitting stelde dat het niet om greppels maar sloten zou gaan. Dit verschil is relevant omdat greppels doorgaans wel als subsidiabel worden beschouwd indien zij het landbouwgebruik niet belemmeren, terwijl sloten dat niet zijn.
Het College concludeerde dat verweerder de besluiten niet zorgvuldig had voorbereid en ondeugdelijk had gemotiveerd. Daarom werden de bestreden besluiten vernietigd en verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen binnen zes weken, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werden proceskosten aan appellante toegekend.