Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2018 op het hoger beroep van:
DIS B.V., te Sittard, appellante
en
minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport(de minister), alsmede de
Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit(de NVWA), gevestigd te Utrecht,
Procesverloop in hoger beroep
dr. Y.M. Huigen en R.N. Ramsoudh, beiden werkzaam bij de NVWA, en dr. W.C. Mennes, werkzaam bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (het RIVM).
Grondslag van het geschil
8 augustus 2014 nogmaals meegedeeld dat de producten waarin het betreffende additief is verwerkt onveilig zijn. De NVWA heeft daarbij aangegeven dat alle partijen (fris)drank waarin het additief is verwerkt en die onder de directe controle van appellante staan geblokkeerd moeten blijven. Verder heeft de NVWA meegedeeld dat appellante ten aanzien van de bewuste partijen een zogeheten recall dient te verrichten bij eerstelijnsverkoopadressen in Nederland, inclusief de voorraden bestemd voor het buitenland. De NVWA heeft voorts meegedeeld dat een Rapid Alert on Safe Food and Feed-melding (RASFF-melding) zal worden gedaan om andere landen te informeren over reeds aan het buitenland geleverde partijen. De NVWA heeft tot slot meegedeeld dat een recall van de producten die zich al op detailhandelsniveau en bij de consument bevinden niet nodig is. Bij e-mail van
11 augustus 2014 heeft appellante de NVWA gevraagd om een bevestiging dat zij niet hoeft over te gaan tot een recall van producten die reeds aan afnemers zijn geleverd. Bij brief van 12 augustus 2014 heeft de NVWA, in aanvulling op haar brief van 8 augustus 2014, nader toegelicht dat de producten die aanwezig zijn bij “eerstelijnsafnemers” (bedrijven die een schakel vormen tussen appellante en (distributiecentra van) de detailhandel) niet meer mogen worden uitgeleverd.
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
11 april 2016, dat is opgesteld met het oog op de behandeling van het beroep in eerste aanleg ter zitting door de Rechtbank Rotterdam. Daarnaast heeft de bezwaarschriftencommissie, anders dan de rechtbank, terecht meer belang toegekend aan de e-mail van de heer Vandersmissen, senior Inspecteur auditeur bij de NVWA, van 12 januari 2015 dan aan de risicobeoordeling van mevrouw Huigen, Coördinerend Specialistisch Inspecteur bij de NVWA, van 22 januari 2015, aldus appellante. Voorts heeft appellante meer naar voren gebracht omtrent de door de NVWA en het RIVM uitgevoerde risicobeoordelingen dan de rechtbank in de uitspraak heeft benoemd. In aanvulling op de in bezwaar reeds door haar ingebrachte rapporten brengt appellante thans nog de rapporten van Em. Prof. Dr. [naam 3] ( [naam 3] ) van 13 januari 2017 en 9 februari 2018 in het geding. Deze rapporten tonen volgens appellante afdoende aan dat geen sprake is (geweest) van (dreigende) schade voor de volksgezondheid.
22 µg/L in de met het additief verontreinigde drank van appellante. Het RIVM is hierbij uitgegaan van de door Brenntag aan de NVWA hieromtrent aangeleverde gegevens, waarbij het RIVM rekening heeft gehouden met een mogelijke overschatting van het arseengehalte, omdat de informatie van Brenntag onvoldoende precies was. Gelet hierop ziet het College niet in dat het RIVM bij die risicobeoordeling niet mocht uitgaan van dit gehalte. Het RIVM heeft voorts in zijn aanvullende rapportage gesteld dat het verschil van circa 10 % tussen 22 µg/L en 19,5 µg/L, van welk gehalte [naam 3] is uitgegaan, toxicologisch van geen belang is en niet leidt tot een te groot conservatisme in de boordeling van het RIVM. Het College stelt vast dat [naam 3] weliswaar stelt dat hij ervan overtuigd is dat de waarde van 19,5 µg/L de enige correcte hoeveelheid is in plaats van het door het RIVM gehanteerde gehalte van 22 µg/L, maar dat hij hierbij niet uitdrukkelijk en gemotiveerd vorengenoemde stelling van het RIVM weerspreekt. Het College ziet dan ook onvoldoende aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Overigens is in de risicobeoordeling van de NVWA wel uitgegaan van een berekening op basis van een gehalte van 19,5 µg/L
Uit de risicobeoordelingen van de NVWA en het RIVM blijkt dat rekening is gehouden met een langdurige blootstelling van kinderen, respectievelijk kinderen en volwassenen aan arseen door de consumptie van fris- en energiedranken waaraan verontreinigd trinatriumcitraat, uitgaande van een gehalte van respectievelijk 19,5 µg/L en
22 µg/L arseen, is toegevoegd. Voorts heeft het RIVM in zijn risicobeoordeling rekening gehouden met de inname van arseen uit andere bronnen, zoals voedsel.
12 januari 2015 is opgemerkt kent het College niet de betekenis toe die appellante daaraan hecht. Het betreft een interne e-mail, die is achterhaald door de latere risicobeoordelingen van de NVWA en het RIVM.
Conclusie
Beslissing
mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.