ECLI:NL:CBB:2018:173

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
24 april 2018
Publicatiedatum
15 mei 2018
Zaaknummer
17/438
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 BbsoArt. 4 BbsoArt. 3:2 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vergewisplicht bij besmetting pootaardappelen met wortelknobbelaaltje

Appellant werd geconfronteerd met een besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat waarin maatregelen werden opgelegd vanwege de aantasting van een partij pootaardappelen door het wortelknobbelaaltje Meloidogyne chitwoodi. Dit besluit was gebaseerd op een steekproefsgewijs onderzoek uitgevoerd door de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed (NAK).

Appellant voerde aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was uitgevoerd en dat hij als grote teler een grotere kans had om geselecteerd te worden, waardoor de uitkomst mogelijk onjuist was. Tevens stelde hij dat verweerder zijn vergewisplicht niet had nageleefd door het onderzoek niet te controleren en hem geen mogelijkheid te bieden tot hercontrole.

Het College oordeelde dat de feitelijke constatering van besmetting bepalend is en dat verweerder aan zijn vergewisplicht had voldaan door periodieke audits van NAK en beoordeling van de onderzoeksdocumentatie. Appellant bracht geen concrete feiten aan die twijfel konden zaaien over de juistheid van het onderzoek. Het verzoek om inzage in de selectie van andere telers viel buiten de toetsingsruimte van het College.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef het besluit van verweerder in stand. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit tot maatregelen bij besmetting van pootaardappelen met Meloidogyne chitwoodi wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/438
32103

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2018 in de zaak tussen

[appellant] , te [woonplaats] , appellant,

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigden: mr. J.H. Verheul-Verkaik en mr. drs. P.J. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellant in verband met de aantasting van een partij pootaardappelen door Meloidogyne chitwoodi maatregelen aangezegd om de verspreiding van dit wortelknobbelaaltje te voorkomen.
Bij besluit van 6 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door appellant gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2018. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1
De Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed voor landbouwgewassen te Emmeloord (NAK) heeft in opdracht van verweerder in 2016 steekproefsgewijs onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van bepaalde plantenziekten bij pootaardappelen en daarover op 30 november 2016, voor zover hier van belang, gerapporteerd:
“Selectie van 212 pootgoedpartijen heeft plaatsgevonden op basis van een ad-random selectie uit (…) totaal 27.297 percelen. De volgende pootgoedpartijen zijn buiten de selectie gebleven: de aangewezen gebieden (cirkelgebieden), percelen kleiner dan 1 ha, ATR-percelen, afgekeurde percelen en bedrijven die al bemonsterd waren in 2014 en 2015. De bedrijven die in de survey vielen zijn vooraf schriftelijk geïnformeerd. De selectie van de steekproef heeft plaatsgevonden op 11 juli. Na deze datum zijn nog 5 van de geselecteerde percelen afgevallen, omdat ze te velde werden afgekeurd. Hierdoor bleven 207 percelen over voor bemonstering. (…)
De aardappelknollen zijn onderzocht op de aanwezigheid van een (latente) infectie van M. chitwoodi en M. fallax met behulp van de Real-Time Polymerase Chain Reaction (RT-PCR) methode. (…).”
1.2
Uit dit onderzoek bleek dat op het bedrijf van appellant een partij pootaardappelen (ras Sarion, NAK perceel 51296-2) door het wortelknobbelaaltje is aangetast.
2.1
Bij het primaire besluit heeft verweerder appellant, verkort weergegeven, aangezegd dat de besmette partij pootaardappelen binnen Nederland moet worden afgezet met de bestemming industriële verwerking, rechtstreekse consumptie of veevoer voor stalvoerdering. Het besluit is genomen op grond van de artikelen 3 en 4 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen (Bbso).
2.2
Appellant voert aan dat verweerder niet heeft gecontroleerd of NAK het onderzoek op juiste wijze heeft verricht. Daarnaast voert appellant aan dat hij als grote teler meer kans maakte om voor de steekproef te worden geselecteerd, zodat zijn “pakkans” (het risico dat op zijn bedrijf een besmetting zou worden geconstateerd) ten opzichte van kleine telers veel groter was.
3.1
Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbso verplicht de eigenaar of houder van een partij, aan wie door verweerder is medegedeeld, dat die partij geheel of gedeeltelijk door een schadelijk organisme is aangetast of verdacht wordt daardoor te zijn aangetast, overeenkomstig de hem gedane aanzegging, de planten of plantaardige producten van deze partij een door verweerder bepaalde bestemming te geven.
3.2
Voor de beoordeling of de partij pootaardappelen van appellant met het wortelknobbelaaltje is besmet, is de feitelijke constatering daarvan bepalend. Het College kan dan ook voorbij gaan aan hetgeen appellant over de wijze waarop het bedrijf van appellant voor de steekproef is geselecteerd, heeft aangevoerd. Daarmee kan het College tevens voorbij gaan aan de door appellant geuite wens dat hij het computerprogramma waarmee de steekproef is uitgevoerd, wil laten controleren door een derde.
4.1
Appellant voert aan dat verweerder niet heeft gecontroleerd of NAK het onderzoek, waaronder de monsterneming, op juiste wijze heeft verricht. Daardoor en omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een hercontrole uit te voeren, kan volgens appellant niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat zijn partij pootaardappelen met het wortelknobbelaaltje was besmet.
4.2
In het onderhavige geval moest verweerder zich ervan vergewissen dat de door de NAK gevolgde procedure zorgvuldig was en met voldoende waarborgen was omkleed, en tevens dat het advies van NAK inhoudelijk toereikend is onderbouwd (de vergewisplicht). Dat verweerder zich dient te vergewissen van de zorgvuldigheid van ieder onderzoek waarvan hij de resultaten aan een besluit ten grondslag legt, vloeit voort uit artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.3
Het betoog van appellant strekt ertoe dat verweerder zijn vergewisplicht heeft geschonden.
4.4
Ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat aan de hand van periodieke audits is gecontroleerd of NAK het onderzoek volgens de daartoe opgestelde protocollen heeft uitgevoerd. Dat NAK niet is geaccrediteerd is hierbij niet relevant, want dit is hier niet vereist. Daarnaast heeft verweerder bij NAK de stukken met betrekking tot het onderzoek op het bedrijf van appellant opgevraagd en beoordeeld. Verweerder heeft daarbij geen onregelmatigheden geconstateerd.
4.5
Appellant heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aan de juistheid of de volledigheid van het advies van NAK zou moeten worden getwijfeld. De Bbso verplicht verweerder niet tot het doen uitvoeren van een hercontrole. Het stond appellant echter vrij om de partij pootaardappelen, die hij zelf tot zijn beschikking had, te onderwerpen aan een eigen (her)controle, wat hij om hem moverende redenen achterwege heeft gelaten. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat verweerder aan zijn vergewisplicht heeft voldaan en zijn besluit op het advies van NAK heeft kunnen baseren. Het betoog van appellant slaagt daarom niet.
5. Het College is in zijn toetsing beperkt tot de inhoud van het bestreden besluit: dat vormt de buitengrens van de rechterlijke toetsing. Appellant vraagt wie de 200 door NAK geselecteerde telers zijn en wat hun areaal is. Dat aspect maakt geen deel uit van het bestreden besluit en het College heeft zich reeds om die reden te onthouden van een oordeel hierover.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. R.C. Stam en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. L. van Gulick, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.
w.g. R.R. Winter w.g. L. van Gulick