ECLI:NL:CBB:2018:113
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing extra betaling jonge landbouwers wegens ontbreken blokkerende zeggenschap
Appellante exploiteert een landbouwbedrijf en vorderde extra betaling voor jonge landbouwers over 2015. De minister wees dit af omdat de jonge landbouwer niet beschikte over de vereiste blokkerende zeggenschap in de periode voorafgaand aan de aanvraag.
De regelgeving vereist dat jonge landbouwers langdurige blokkerende zeggenschap hebben, vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst met alle maten bij een maatschap. Appellante had ten tijde van de aanvraag geen schriftelijke overeenkomst, waardoor verweerder het primaire besluit handhaafde.
Hoewel later een schriftelijke maatschapsovereenkomst werd gesloten, was deze pas in januari 2016 ondertekend, buiten het premiejaar 2015. Verweerder hanteert een coulancebeleid dat ondertekening binnen negen maanden na het maken van afspraken toestaat, mits in het premiejaar. Dit beleid werd door het College als redelijk beoordeeld.
Het College oordeelde dat de maatschap niet had aangetoond dat de jonge landbouwer blokkerende zeggenschap had in de relevante periode en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de jonge landbouwer niet beschikte over blokkerende zeggenschap voorafgaand aan de aanvraag.