ECLI:NL:CBB:2017:465
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen vergoeding proceskosten wegens niet beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand
Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken dat aanvankelijk zijn aanvraag voor betalingsrechten voor 2015 afwees. Dit bezwaar werd gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen, maar de vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten werd afgewezen omdat de gemachtigde van appellant niet beroepsmatig rechtsbijstand verleende.
Appellant stelde dat zijn gemachtigde als intermediair voor agrarische ondernemers diverse specialistische diensten verleende, waaronder juridische bijstand, en dat hij meerdere keren contact had gehad met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Het College oordeelde echter dat er geen bewijs was geleverd dat de gemachtigde beroepsmatig rechtsbijstand verleende, zoals vereist volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De gemachtigde had geen bewijsstukken overgelegd en kon niet aannemelijk maken dat hij niet over dergelijke bewijsstukken beschikte. Bovendien bleek uit zijn handelsregisterinschrijving en het aantal gevoerde bezwaarprocedures dat de rechtshulp niet meer dan incidenteel was. Ook ontbrak het aan voldoende juridische kennis en ervaring. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand en daarom geen proceskostenvergoeding wordt toegekend.