Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2017:353

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
7 september 2017
Publicatiedatum
27 oktober 2017
Zaaknummer
16/262
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 AwbArt. 1:2 AwbArt. 1a.2 Subsidieregeling sterktes in innovatieArt. 3.2.2 Regeling nationale EZ-subsidies
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken bezwaar en geen rechtstreeks belang bij TKI-toeslag

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelde het beroep van Stichting Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (appellante) tegen een besluit van de minister van Economische Zaken over de vaststelling van de TKI-toeslag 2014. De minister had de TKI-toeslag gedeeltelijk ingetrokken en vastgesteld op een lager bedrag, waarna het TKI HTSM bezwaar maakte en het bezwaar deels werd gehonoreerd. Appellante, deelnemer aan een samenwerkingsproject binnen het TKI-programma, maakte zelf geen bezwaar.

Het geschil betrof de ontvankelijkheid van het beroep van appellante. Artikel 6:13 Awb Pro bepaalt dat een belanghebbende die geen bezwaar heeft gemaakt, niet ontvankelijk is in beroep. Het College stelde vast dat appellante geen bezwaar had ingediend en dat het bezwaar van het TKI HTSM niet mede namens appellante was ingediend. De stelling dat haar belangen voldoende werden behartigd door het TKI HTSM was onvoldoende om ontvankelijkheid te rechtvaardigen.

Daarnaast werd beoordeeld of appellante als belanghebbende kon worden aangemerkt. Volgens artikel 1:2 Awb Pro moet het belang rechtstreeks bij het besluit betrokken zijn. De TKI-toeslag kan alleen worden aangevraagd door een TKI, in dit geval het TKI HTSM, dat tevens begunstigde is. Appellante had slechts een afgeleid financieel belang, wat niet volstaat voor belanghebbendheid.

Het College concludeerde dat appellante niet ontvankelijk was in haar beroep en dat een eventuele bezwaarprocedure ook niet-ontvankelijk zou zijn geweest wegens gebrek aan belanghebbendheid. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bezwaar en het ontbreken van een rechtstreeks belang.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/262
27300

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 september 2017 in de zaak tussen

Stichting Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium, te Amsterdam, appellante

(gemachtigde: mr. G. Kor),
en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. P.J. Kooiman en dr. S.J.G.M. Langerak).

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de op grond van de Subsidieregeling sterktes in innovatie (Subsidieregeling) en de Regeling nationale EZ-subsidies (Regeling) aan de Stichting TKI HTSM (TKI HTSM) verleende TKI-toeslag 2014 gedeeltelijk ingetrokken en deze vastgesteld op een bedrag van € 29.982.798,-.
Bij besluit van 2 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van het TKI HTSM gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit deels herroepen en de TKI-toeslag 2014 vastgesteld op een bedrag van € 30.424.673,-.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder is verschenen [naam] voor appellante.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten. Het TKI HTSM is een Topconsortium voor Kennis en Innovatie (TKI) dat als doel heeft om de samenwerking en innovatie in de topsector High Tech Systemen & Materialen (HTSM) te bevorderen, belangen te behartigen en het hightechecosysteem te versterken. Het TKI HTSM heeft in 2013 op grond van de Subsidieregeling een aanvraag en in 2014 op grond van de Regeling een aanvullende aanvraag ingediend bij verweerder voor de verlening van Toeslag voor Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag) voor het TKI-programma “TKI HTSM” over het jaar 2014. Verweerder heeft op deze aanvragen besloten om TKI-toeslag en aanvullende TKI-toeslag over het jaar 2014 te verlenen. Bij het primaire besluit heeft verweerder de verleende TKI-toeslag over 2014 deels ingetrokken en gelet daarop de verlening van de TKI-toeslag over 2014 lager vastgesteld. Het TKI HTSM heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Vervolgens heeft verweerder de TKI-toeslag over 2014 wederom lager, zij het iets minder laag dan in het primaire besluit, vastgesteld. Het TKI HTSM heeft hiertegen geen beroep ingesteld. Appellante is één van de deelnemers aan een samenwerkingsproject dat valt onder het TKI-programma “TKI HTSM”. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2. In geschil is in de eerste plaats of het beroep van appellante ontvankelijk is. Artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Het College stelt vast dat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Het bezwaarschrift van het TKI HTSM is ingediend op naam van het TKI HTSM en is door het TKI HTSM ondertekend. Deze ondertekening heeft, zoals appellante ter zitting heeft bevestigd, niet mede namens haar plaatsgevonden. Het College is niet gebleken dat aan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt. De door appellante gestelde omstandigheid dat haar belangen in de bezwaarfase voldoende werden behartigd door het TKI HTSM, is daarvoor onvoldoende. Artikel 6:13 van Pro de Awb staat daarom aan de ontvankelijkheid van het beroep van appellante in de weg.
3.1
Het College overweegt voorts dat ingevolge het eerste lid van artikel 1:2 van Pro de Awb onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om van een rechtstreeks belang te kunnen spreken moet er een voldoende direct geraakt belang zijn. Een zodanig belang wordt niet aangenomen als slechts sprake is van een zogeheten afgeleid belang; dat wil zeggen in de situatie waarin het besluit slechts indirect de betrokken belangen raakt.
3.2
In artikel 1a.2 van de Subsidieregeling en artikel 3.2.2 van de Regeling was ten tijde van belang bepaald dat verweerder op aanvraag TKI-toeslag aan een TKI verstrekt voor uitvoering van het TKI-programma (programmatoeslag), of uitvoering van een bepaald samenwerkingsproject (projecttoeslag). Hieruit volgt dat de TKI-toeslag uitsluitend kan worden aangevraagd door een TKI. Het TKI HTSM is de begunstigde van de subsidie. Zoals verweerder ter zitting ook heeft uiteengezet, heeft het TKI de vrijheid om te bepalen aan welke projecten – mits die aan de daarvoor geldende eisen voldoen – de verleende subsidie wordt besteed. Appellante heeft er weliswaar een financieel belang bij dat de subsidie aan het TKI HTSM wordt verstrekt, omdat dit kan besluiten om een deel daarvan aan appellantes projecten te besteden, maar dit is een van het TKI HTSM afgeleid belang en maakt appellante niet belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het College verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 mei 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ3443).
3.3
Dit betekent dat ook al zou appellante wel bezwaar hebben gemaakt, verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat appellante niet als belanghebbende bij het primaire besluit kan worden aangemerkt.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. H.L. van der Beek en mr. H.A.A.G. Vermeulen, in aanwezigheid van mr. O.C. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2017.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. O.C. Bos