ECLI:NL:CBB:2017:238
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking chauffeurskaart wegens niet tijdig overleggen VOG
Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen de intrekking van zijn chauffeurskaart door de minister van Infrastructuur en Milieu, omdat hij niet binnen de gestelde termijn een nieuwe Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) had overgelegd. De intrekking was gebaseerd op artikel 10, eerste lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker een spoedeisend belang had bij het treffen van een voorlopige voorziening, aangezien hij zonder chauffeurskaart geen taxivervoer mocht verrichten en daardoor zijn gezin geen inkomsten had. Desondanks oordeelde de voorzieningenrechter dat de minister op grond van de regeling verplicht was de kaart in te trekken zodra de VOG niet tijdig werd overgelegd, zonder ruimte voor belangenafweging.
Verder werd benadrukt dat de procedure voor intrekking van de chauffeurskaart losstaat van de procedure voor afgifte van een nieuwe VOG door het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG). Zelfs indien de VOG later alsnog zou worden afgegeven, bleef de intrekking terecht vanwege het niet tijdig overleggen.
De voorzieningenrechter zag geen redelijke twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit en vond geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de chauffeurskaart wordt afgewezen.