Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2016 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats 1] , appellant
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het proces-verbaal van de ambtenaren van de NVWA van 18 december 2013 blijkt dat appellant op 15 oktober 2013 op de paardenmarkt in Zuidlaren in zijn auto een doos met 80 doseerspuiten van het URA-diergeneesmiddel Equiworm P voorhanden had, waarvoor hij geen juist recept kon tonen en waarvoor hij ook geen factuur met een datum op of omstreeks 15 oktober 2013 kon tonen. Voorts blijkt uit een rapport van een ambtenaar van de NVWA van 1 mei 2014 dat appellant op 8 februari 2014 bij een hengstenkeuring in de Brabanthallen te ‘s‑Hertogenbosch URA-diergeneesmiddelen (wormkuren) voorhanden had en heeft verkocht. Uit dit rapport blijkt ook dat 1880 wormkuren niet in de administratie van appellant waren verantwoord. Verweerder stelt dat appellant wat betreft de constateringen op 15 oktober 2013 en 8 februari 2014 heeft gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden beperking, en met artikel 5.8 van de Regeling diergeneesmiddelen (de Regeling). Door het niet in de administratie verantwoorden van de verkoop van 1880 stuks URA-diergeneesmiddelen heeft appellant gehandeld in strijd met artikel 5.2, derde lid, van het Besluit diergeneesmiddelen (het Besluit), in samenhang met artikel 5.16, vierde lid, van de Regeling.
Appellant heeft ter zitting aangevoerd dat de door verweerder gemaakte berekening onjuist is, omdat in totaal ongeveer 2000 wormenkuren van hem in beslag zijn genomen, en deze niet in de administratie waren opgenomen. De inbeslagnames waar appellant naar heeft verwezen hebben echter plaatsgevonden in oktober 2011 (1054 wormspuiten) en oktober 2012 (945 worminjectoren), en hebben geen betrekking op de door verweerder onderzochte periode. Aangezien appellant geen andere verklaring heeft gegeven voor de geconstateerde gebreken in zijn administratie heeft verweerder, gelet op vermeld rapport van 1 mei 2014, terecht vastgesteld dat appellant heeft gehandeld in strijd met artikel 5.2, derde lid, van het Besluit, in samenhang met artikel 5.16, vierde lid, van de Regeling.