Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2016 op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [plaats] , appellant,
en
de staatssecretaris van Economische Zaken,
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
(…)
Hieruit bleek mij dat gehandeld is in strijd (met, College) artikel 9a.8 lid 1 van de Regeling diergeneesmiddelen, juncto artikel 2.2 lid 10 aanhef en onder l van de Wet dieren, juncto artikel 8A.11 van het Besluit diergeneesmiddelen, juncto artikel 1 onder Pro ten 2e van de Wet op de economische delicten.
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
De rechtbank heeft ten onrechte geen aanleiding gezien voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten in verband met de behandeling van het bij de rechtbank ingediende beroep. Appellant heeft in verband met het bijwonen van de zitting van de rechtbank op
29 april 2014 verzocht om vergoeding van reis- en verletkosten van hem zelf en de door hem meegebrachte en daarbij gehoorde getuige. Appellant heeft verzocht om vergoeding van verletkosten van € 200,- wegens het gedurende vijf uur niet kunnen verrichten van zijn werkzaamheden. Naar het oordeel van het College geldt ook hier dat het door appellant geclaimde aantal uren aan verletkosten reëel is, maar wordt volstaan met vorengenoemde minimale forfaitaire uurvergoeding omdat appellant ter zake van deze kosten evenmin stukken ter onderbouwing heeft overgelegd. Het College stelt de verletkosten van appellant daarom vast op € 35,- (5x € 7,-). Voor vergoeding van reiskosten komt in aanmerking een bedrag van € 71,62 (op basis van openbaar vervoer, tweede klas). Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Besluit tarieven strafzaken 2003 (Bts) bedraagt het tarief wegens tijdverzuim voor getuigen € 6,81 per uur. Naar het oordeel van het College is het door appellant voor de getuige geclaimde aantal uren aan verletkosten eveneens reëel, zodat voor vergoeding van deze kosten in aanmerking komt een bedrag van € 34,05 (5x € 6,81). Voorts worden de reiskosten van de getuige op de voet van artikel 11, eerste lid, onder d, van het Bts vastgesteld op een bedrag van € 64,24 (op basis van openbaar vervoer, tweede klas).
Beslissing
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 406,- aan appellant te vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van