Appellante kreeg een korting van 1% op haar GLB-subsidie 2014 wegens het niet opgeven van maïspercelen 19 en 20. Verweerder stelde dat appellante deze percelen feitelijk gebruikte en dus had moeten opgeven. Appellante stelde dat zij deze percelen had verhuurd aan derden en in ruil daarvoor grasland had gehuurd, waarbij werkzaamheden en kosten werden verrekend.
Het College onderzocht of de percelen tot het bedrijf van appellante behoorden, waarbij vereist is dat de landbouwer feitelijk gebruik heeft en een gebruikstitel bezit die autonomie geeft in het gebruik. Hoewel appellante eigenaar was, concludeerde het College dat zij geen gebruikstitel had en niet bevoegd was over de percelen te beslissen, mede gelet op bevestigende verklaringen van de derden en het ontbreken van nader onderzoek door verweerder.
Het College vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waardoor de korting komt te vervallen. Tevens veroordeelde het College verweerder in de proceskosten van appellante.