Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2016 in de zaak tussen
[naam 1] , ( [bedrijf 1] )
Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, verweerder
Procesverloop
13.00 – 18.00 uur en geldt voor de locatie [bedrijf 5] , [adres] , [plaats 2] .
Overwegingen
Bodegraven-Reeuwijk 2015 verleend voor zondag 17 mei 2015 van 13.00 – 18.00 uur en voor zondag 13 september 2015 van 13.00 – 18.00 uur.
10 juli 2015 niet ontvankelijk verklaard.
Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van het horen van een belanghebbende worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming vormt de hoorplicht een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar is sprake wanneer er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar
niet-ontvankelijk is. Met hetgeen appellanten in bezwaar hebben aangevoerd had voor verweerders duidelijk kunnen zijn dat appellanten met verweerders over de aard en omvang van de ontheffing van opvatting verschilden. Appellanten hebben immers in hun bezwaarschrift gesteld dat de verleende ontheffing (mede) was verleend voor de te houden Slow Food Groene Hart markt. Dat appellanten in deze veronderstelling verkeerden acht het College, gezien de aanvraag en de overige door appellanten genoemde informatie, niet onbegrijpelijk. Onder die omstandigheden had het voor de hand gelegen om appellanten in een hoorzitting duidelijk te maken waarvoor de ontheffing is verleend. De hoorzitting heeft blijkens de wetsgeschiedenis ook tot doel informatie en wederzijdse standpunten uit te wisselen. Door het achterwege laten van het horen zijn appellanten benadeeld, in die zin dat zij op grond van hun, ook door het bestreden besluit niet weggenomen, (onjuiste) veronderstelling omtrent de ontheffing beroep hebben ingesteld. Verweerders hebben daarom ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb. Uit het voorgaande volgt dat het beroepen van appellanten in zoverre gegrond is en dat het de bestreden besluiten wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb dienen te worden vernietigd.
€ 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerders op het betaalde griffierecht van € 331,- aan appellanten te vergoeden;
€ 992,-.