Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2015 in de zaken tussen
Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats], appellante
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Ik zag bij de koe met werknr. 1349 rv. een wond op de knie. Ik zag bij de koe met werknr. 1213, naast de ontsteking in de nek, een abces in de rechterbil. Ik zag la. een wond op de knie. Ik zag dat de koe met werknr. 1406 rv. kreupel was. Ik zag dat de koe met werknr. 1276 lv. een gezwollen knie had. Ik zag dat de koe met werknr. 1093, naast een ontsteking aan de nek, lv. zeer lange klauwen had. Ik zag dat de koe met werknr. 1109, naast een ontsteking aan de nek, ra. t.h.v. de knie een abces had. ”
De randvoorwaarde in artikel 4, vierde lid, van het Besluit verplicht ertoe een dier een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voeder te geven zodat het in goede gezondheid blijft en aan zijn voedingsbehoeften wordt voldaan.
Verder stelt appellante dat verweerder ten onrechte runderen heeft afgevoerd en hiervoor een te lage vergoeding heeft uitgekeerd. Hierdoor beschikte appellante over te weinig financiële middelen om krachtvoer te kopen.
6 december 2011.
Het College is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder terecht de niet-naleving heeft geconstateerd van artikel 4, vierde lid, van het Besluit.
6 december 2011. Van deze controle is tevens proces-verbaal opgemaakt in verband met het meevoeren en opslaan van runderen van appellante. Hierin verklaart de bij de controle aanwezige dierenarts dat de voedingstoestand van veel runderen slecht was, de aangetroffen dieren waren hongerig en vermagerd. De betreffende dieren hadden een conditiescore lager dan 2, nl. 1 tot 1,5. Dat betekent dat het skelet duidelijk door de huid heen zichtbaar was, dat er weinig bespiering op de rug en de lendenen zat en de doornuitsteeksels van de ruggenwervels individueel waren te herkennen. Voorts vermeldt de dierenarts in de verklaring dat en waar hij heeft gezien dat de betreffende runderen geen voer tot hun beschikking hadden en beschrijft hij dat de dieren onmiddellijk gretig gingen eten toen er tijdens de controle voer werd verstrekt. Appellante heeft naar het oordeel van het College onvoldoende gesteld tegenover deze concrete en gedetailleerde bevindingen van de toezichthouders. Het College acht de niet-naleving op basis van de bevindingen van de controleurs en dierenarts derhalve aannemelijk. Met betrekking tot hetgeen appellante heeft aangevoerd over de nog aanwezige voervoorraad verwijst het College naar rechtsoverweging 4.4.
17 februari 2012 toegepaste bestuursdwang en dat er voldoende voorraad voer aanwezig was, kunnen hierbij geen rol spelen.