Appellant werd op 26 oktober 2013 aangehouden wegens het verrichten van taxivervoer zonder de vereiste vergunning, wat werd vastgesteld tijdens een politieactie gericht op illegale taxichauffeurs. Verweerder legde appellant een last onder dwangsom op van € 10.000 per overtreding met een maximum van € 200.000, later aangepast naar € 40.000.
Appellant betwistte niet het feit van het taxivervoer zonder vergunning, maar stelde dat hij dit niet bedrijfsmatig deed en dat de beleidsregels daarom niet op hem van toepassing waren. Tevens voerde hij aan dat er geen sprake was van herhaaldelijk gedrag.
Het College oordeelde dat het proces-verbaal op ambtsbelofte als bewijs geldt en dat appellant inderdaad taxivervoer zonder vergunning heeft verricht. Er waren geen bijzondere omstandigheden om af te zien van handhaving. De hoogte van de dwangsom werd niet als disproportioneel beoordeeld.
Het beroep werd ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht.