Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister), appellant
(gemachtigde: drs. R.N. Ramsoedh),
[naam 1] , te [plaats] ( [naam 1] )
Procesverloop in hoger beroep
29 augustus 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:6602).
Grondslag van het geschil
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
De minister kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat [naam 1] niet is aan te merken als werkgever en daarom geen maatregelen hoeft te nemen om ervoor te zorgen dat de tijdens de inspectie aangetroffen medewerkster, de vriendin van de zoon van zijn echtgenote, achter de bar werkzaamheden kan verrichten zonder daarbij hinder of overlast te ondervinden van roken door anderen. Naar de mening van de minister volgt uit de Nota van toelichting bij het Besluit van 14 juni 2011, houdende wijziging van het Besluit uitvoering rookvrije werkplek, horeca en andere ruimten (Besluit; Stb. 2011, 337, blz. 12-14) dat aan het begrip werknemer in het kader van de Tabakswet een ruime betekenis toekomt. De minister deelt de conclusie van de rechtbank dat voornoemde vriendin geen vrijwilliger is in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. De in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van die wet bedoelde uitzondering doet zich dus niet voor. Op grond van de bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet wordt de overtreder aangemerkt als werkgever, net zoals degene die arbeid verrichtte (de ‘ander’) wordt aangemerkt als werknemer. Uit het proces-verbaal blijkt immers, aldus de minister, dat de betreffende vriendin horecawerkzaamheden verricht voor [naam 1] , hetgeen door [naam 1] ook wordt erkend. Zij handelt hiermee voor rekening en risico van [naam 1] , er is sprake van een gezagsrelatie. Volgens de minister is [naam 1] daarom aan te merken als werkgever en dient hij als zodanig maatregelen te treffen, zodat de vriendin bij het verrichten van die werkzaamheden niet aan tabaksrook wordt blootgesteld.
a. werkgever:
1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.;
b. werknemer: de ander, bedoeld onder a.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:
a. werkgever:
1°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten;
2°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander niet onder zijn gezag arbeid in een woning doet verrichten, in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen;
b. werknemer: de ander, bedoeld onder a, met uitzondering van degene die als vrijwilliger arbeid verricht.
3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
1. vrijwilliger: de persoon, die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een privaatrechtelijk of publiekrechtelijk lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting dan wel voor een sportorganisatie en die geen werknemer is in de zin van artikel 2 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964, (…).”