Appellant werd bij besluit van 18 februari 2014 een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000, met een maximum van € 200.000,-. Na bezwaar werd dit maximum verlaagd naar € 40.000,-. Appellant voerde onder meer aan dat hij geen taxiritten tegen betaling had verricht, dat het motiveringsbeginsel was geschonden door gebrek aan inzage in het proces-verbaal, dat de dwangsom buitenproportioneel was en dat sprake was van schending van het ne bis in idem-beginsel.
Het College oordeelde dat op grond van de processen-verbaal en getuigenverklaring vaststond dat appellant taxivervoer zonder vergunning had verricht. De last onder dwangsom was een herstelsanctie en geen punitieve sanctie, waardoor het ne bis in idem-beginsel niet van toepassing was. Verweerder had appellant voldoende gelegenheid gegeven kennis te nemen van de stukken, en de motivering van de hoogte van de dwangsom was toereikend en proportioneel.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.