ECLI:NL:CBB:2015:273
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij zendvergunning
Appellant had een zendvergunning aangevraagd om verslag te doen van Koninginnedag op 30 april 2013. De minister verleende de vergunning conform de aanvraag, met een geldigheidsduur tot en met 30 april 2013. Appellant meende echter dat de vergunning slechts geldig was op 29 april 2013 en dat het bestreden besluit onjuist was. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang, omdat de vergunning conform aanvraag was verleend en appellant geen schade aannemelijk had gemaakt.
In hoger beroep heeft het College het oordeel van de rechtbank bevestigd. Het College oordeelde dat de vergunningstekst, ondanks enige verwarring over artikel 3, duidelijk maakte dat de vergunning geldig was tot en met 30 april 2013. De minister had de aanvraag volledig ingewilligd. Appellant had geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit, mede omdat hij ervoor koos geen gebruik te maken van de vergunning.
Het hoger beroep is verworpen en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2014 is bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.