ECLI:NL:CBB:2015:215
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging verplichte deelneming pensioenfonds zonder terugwerkende kracht
Appellant was sinds november 2002 verplicht aangesloten bij het bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel met terugwerkende kracht tot 1 november 1996. Na een geschil over de aansluiting beëindigde het pensioenfonds deze per 1 januari 2007, omdat aansluiting bij een ander pensioenfonds (Bpf ICK) beter zou aansluiten bij de bedrijfsactiviteiten van appellant, hoewel deze aansluiting niet verplicht was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Het College oordeelde dat het pensioenfonds niet verplicht was de aansluiting met terugwerkende kracht vóór 1 januari 2007 te beëindigen, mede omdat dit niet past binnen de systematiek van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.
Appellant voerde verder aan dat hij niet verplicht was aangesloten omdat slechts 15% van zijn omzet uit detailhandel kwam, maar het College stelde vast dat de verplichtstelling geldt ongeacht omzetpercentage zolang detailhandelsactiviteiten worden verricht. Het beroep op uitzonderingen faalde omdat appellant onvoldoende onderbouwde welke werknemers andersoortige werkzaamheden verrichtten.
Ten slotte werd het beroep op coulance voor terugwerkende beëindiging afgewezen omdat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat. Het College bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de verplichte deelneming per 1 januari 2007 wordt bevestigd zonder verdere terugwerkende kracht.