ECLI:NL:CBB:2015:180

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
29 mei 2015
Publicatiedatum
24 juni 2015
Zaaknummer
AWB 13/207
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 MswArt. 8 MswArt. 66 lid 1 Verordening (EG) nr. 796/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging randvoorwaardenkorting GLB-inkomenssteun wegens overtreding Meststoffenwet

De staatssecretaris van Economische Zaken legde appellant een randvoorwaardenkorting van 3% op de GLB-inkomenssteun voor 2009 op vanwege het niet naleven van de Meststoffenwet, specifiek artikel 7, dat het verbod regelt op het aanbrengen van meststoffen op of in de bodem.

Appellant betwistte deze korting en verwees naar zijn hogerberoepsprocedure tegen een bestuurlijke boete voor dezelfde overtreding, stellende dat hij binnen de gebruiksnormen voor meststoffen was gebleven, wat opheffing van het verbod zou betekenen. Subsidiair verzocht hij matiging van de korting tot 1%.

Het College oordeelde dat op grond van de Europese landbouwverordeningen en de Meststoffenwet de korting van 3% terecht was opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij de gebruiksnormen niet had overschreden. Ook was er geen aanleiding om de korting te matigen tot 1%.

Uitkomst: Het beroep tegen de randvoorwaardenkorting van 3% op de GLB-inkomenssteun wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/207
5101

Uitspraak van de meervoudige kamer van 29 mei 2015 in de zaak tussen

[naam 1], te [plaats], appellant

(gemachtigde: [naam 2]),
en

de staatssecretaris van Economische Zaken, (hierna: de staatssecretaris)

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Bij besluit van 21 november 2012 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun (2006) een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 3% op de aan appellant voor het jaar 2009 toegekende rechtstreekse betalingen voor het jaar 2009.
Bij besluit van 18 februari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Op 29 januari 2015 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en de gemachtigden van partijen zijn verschenen.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de korting van 3% op de inkomenssteun opgelegd wegens het niet naleven van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2009, hetgeen neerkomt op een korting van € 417,87. Op grond van de Europese landbouwverordeningen dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt de geldende beheerseisen in acht te nemen. Een van de beheerseisen houdt in dat water wordt beschermd tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Deze bescherming is nader uitgewerkt in de Msw. Appellant wordt verweten artikel 7 van Pro de Msw te hebben overtreden.
2. Appellant is opgekomen tegen de vastgestelde randvoorwaardenkorting en heeft daarbij verwezen naar de gronden die hij heeft aangevoerd in de hogerberoepsprocedure tegen de bestuurlijke boete die aan hem is opgelegd wegens de overtreding van het verbod meststoffen op of in de bodem te brengen, welk verbod is neergelegd in genoemd artikel 7 van Pro de Msw. Kort gezegd stelt appellant onder de gebruiksnormen voor mest te zijn gebleven, in welk geval opheffing van dit verbod geldt. Subsidiair heeft appellant bepleit de korting te matigen tot 1%.
3. Ingevolge artikel 66, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 is de randvoorwaardenkorting bij een niet-naleving die het gevolg is van nalatigheid in de regel 3%. Op basis van een beoordeling van het controleverslag kan de staatssecretaris dat percentage verlagen tot 1.
Bij uitspraak van heden op het hoger beroep van appellant met nummer AWB 13/987 heeft het College beslist dat appellant artikel 7 in Pro verbinding met artikel 8 van Pro de Msw heeft overtreden. Appellant heeft niet aannemelijk kunnen maken dat hij in 2009 de gebruiksnormen niet heeft overschreden. Gelet hierop was de staatssecretaris gehouden een randvoorwaardenkorting van 3% toe te passen. Het College ziet in de bevindingen die aan de geconstateerde niet-naleving ten grondslag liggen geen aanleiding voor het oordeel dat de korting tot 1% gematigd had moeten worden.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Dijt, mr. J. Schukking en mr. E.J.M. Heijs, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2015.
w.g. E. Dijt w.g. A.G.J. van Ouwerkerk