Appellante diende beroep in tegen het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken waarbij haar bedrijfstoeslag voor 2010 volledig werd afgewezen en zij voor een bedrag van €510,64 werd uitgesloten vanwege opzettelijk onjuiste opgave van de percelen 3, 8 en 10. Het geschil betrof de vraag of deze percelen subsidiabel waren volgens de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 en de relevante Europese verordeningen.
Het College oordeelde dat perceel 3, hoewel deels gebruikt voor voederwinning, overwegend een recreatieve functie had vanwege de inrichting als camping met verharde standplaatsen en een grasveld dat slechts eenmaal per jaar werd gemaaid. Percelen 8 en 10 werden erkend als niet subsidiabel. Appellante had de percelen desondanks opgegeven, ondanks de duidelijke toelichting bij de Gecombineerde opgave 2010 waarin werd vermeld dat campings, paardenbakken en erven niet subsidiabel zijn.
Het College concludeerde dat appellante opzettelijk onjuiste opgave had gedaan, mede omdat zij bewust geen kennis had genomen van de toelichting. Gezien het verschil van 36,81% tussen opgegeven en geconstateerde oppervlakte was de volledige afwijzing van de toeslag en de sanctie terecht en niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep werd ongegrond verklaard.