Uitspraak
1.Het procesverloop in hoger beroep
2.De grondslag van het geschil
Ingevolge artikel 72, eerste lid, Wko, voor zover hier van belang, kan het college van burgmeester en wethouders de houder van een gastouderbureau bij overtreding van voormelde bepalingen een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45.000,-.
14 december 2009 heeft de GGD Den Haag een rapportage van nader onderzoek aan burgemeester en wethouders uitgebracht. Bij brief van 18 januari 2010 hebben burgemeester en wethouders aan [B] het voornemen kenbaar gemaakt haar een bestuurlijke boete op te leggen.
3.De uitspraak van de rechtbank
4.De standpunten van partijen in hoger beroep
5.De beoordeling van het geschil in hoger beroep
1 november 2008 hebben afgezien van het opleggen van boetes voor overtredingen met betrekking tot te laat afgegeven verklaringen omtrent het gedrag, is het College van oordeel dat de aan [B] opgelegde boete wegens de te laat overgelegde verklaring omtrent het gedrag van [J] in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Gelet hierop slaagt het tegen deze boete gerichte betoog van [B].
Het College acht een matiging van deze boete met 50% op zijn plaats, gelet op de hoogte van de gecumuleerde boete, het feit dat [B] een onderneming van relatief geringe omvang is en het de eerste keer is dat [B] een bestuurlijke sanctie voor het ontbreken van een verklaring omtrent het gedrag krijgt opgelegd.
6.De beslissing
12 september 2013.