ECLI:NL:CBB:2012:BX6794

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
23 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 12/112
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verloting van een waardecheque voor een pony in strijd met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

In deze zaak heeft appellante, een manege, beroep ingesteld tegen een besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Dit besluit, genomen op 10 januari 2012, verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond tegen een eerdere beslissing van 8 september 2011, waarin haar een last onder dwangsom werd opgelegd. Deze last was opgelegd omdat appellante voornemens was een verloting te organiseren waarbij een pony als prijs kon worden gewonnen, wat in strijd is met artikel 57 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd). De appellante had op 10 januari 2012 beroep ingesteld, en het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft de zaak op 23 augustus 2012 behandeld.

De feiten van de zaak zijn als volgt: een toezichthouder van de Algemene Inspectiedienst constateerde op 7 september 2011 dat appellante een lotenverkoop wilde organiseren waarbij een waardecheque kon worden gewonnen, die inwisselbaar was voor een pony. De Staatssecretaris oordeelde dat deze actie in strijd was met de wet, omdat het verloten van dieren als prijs verboden is. Appellante voerde aan dat de traditie van de verloting al 26 jaar bestond en dat de deelnemers goed geïnformeerd werden over de zorg voor de pony.

Het College oordeelde dat de activiteit van appellante, waarbij een waardecheque als prijs werd aangeboden die recht gaf op een pony, in strijd was met artikel 57 Gwd. Het College benadrukte dat het niet voldoende is dat de winnaar van de cheque de keuze heeft om de pony niet te nemen; de verloting zelf is al in strijd met de wet. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard, en er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 12/112 23 augustus 2012
11201 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Bestuursdwang
Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellante,
gemachtigde: C, directeur van D,
tegen
de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,
gemachtigde: mr. M. Wellenberg, werkzaam bij verweerder.
1. De procedure
Appellante heeft bij brief van 10 januari 2012, bij het College binnengekomen op 16 januari 2012, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 januari 2012.
Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een besluit van 8 september 2011, waarbij haar een last onder dwangsom is opgelegd wegens het voornemen een verloting te laten plaatsvinden waarbij een pony als prijs wordt aangeboden.
Bij brief van 26 maart 2012 heeft verweerder een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
Bij brieven van 29 maart 2012 en 1 mei 2012 heeft verweerder stukken overgelegd.
Bij brief van 4 juni 2012 heeft appellante het College verzocht goedkeuring te verlenen voor het laten plaatsvinden van een verloting in het nieuwe seizoen. Bij griffiersbrief van
8 juni 2012 heeft het College appellante meegedeeld dat het op dat verzoek niet in kan gaan.
Op 12 juli 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.
Bij brief van 19 juli 2012 heeft verweerder het College bericht niet te beschikken over de ter zitting gevraagde nadere informatie.
Vervolgens is het onderzoek met toestemming van partijen gesloten.
2. De grondslag van het geschil
2.1 In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
“Artikel 57
Het is verboden dieren als prijs, beloning of gift uit te loven of uit te reiken bij wedstrijden, verlotingen, weddenschappen of andere dergelijke evenementen.
(…)
Artikel 106
Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.”
In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
“Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:32
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
(…).”
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Een toezichthouder van de Algemene Inspectiedienst (AID) heeft op 7 september 2011 geconstateerd dat appellante voornemens is om op 11 september 2011, vanaf 11:00 uur, te starten met een lotenverkoop, waarbij een waardecheque kan worden gewonnen. De winnaar van de cheque kan kiezen tussen het inwisselen van de cheque tegen een pony of het laten bieden op de cheque.
- Bij het besluit van 8 september 2011 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd omdat appellante voornemens is een loterij te laten plaatsvinden waarbij een pony kan worden gewonnen. Daarmee overtreedt zij artikel 57 Gwd. Appellante wordt gelast, op straffe van betaling van een dwangsom van € 2.500,-, ervoor zorg te dragen dat geen dieren, zoals bedoelde pony, als prijs, beloning of gift worden uitgeloofd of uitgereikt tijdens de bedoelde loterij of enig ander vergelijkbaar evenement.
- Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
- Op 4 januari 2012 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
- Vervolgens heeft verweerder het besluit van 10 januari 2012 genomen.
3. Het standpunt van verweerder
De door appellante georganiseerde activiteit is een loterij waarbij een pony kan worden gewonnen. Weliswaar wint men met het lot niet direct een pony, maar indirect wel. Men wint immers een cheque van € 500,- waarmee een pony kan worden verkregen. Doordat met het lot deze waardecheque wordt gewonnen, komt daarmee de pony verkrijgbaar voor de winnaar van het lot. Dat deze de cheque ook kan verzilveren voor geld, doet daar niet aan af. Alleen de winnaar, en niet de andere aanwezige personen, kan van deze waardecheque de pony voor € 500,- kopen. Bovendien correspondeert het bedrag van € 500,- niet met de waarde van de pony, die volgens appellante € 1.500,- bedraagt. Appellante handelt hiermee in strijd met artikel 57 Gwd. Dat zij als professional handelt en de daadwerkelijke verkrijger van de pony goed begeleidt, kan daar niet aan afdoen. In dit geval doen zich geen uitzonderingsgronden voor om van handhavend op te treden af te zien. Concreet zicht op legalisatie van de overtreding is er niet. Gelet op alle betrokken belangen is handhavend optreden bovendien niet onevenredig. Er is geen sprake van een incidenteel karakter, aangezien de loterij al 26 jaar plaatsvindt. De overtreding is ook niet van geringe ernst. Het verloten van dieren wordt immers door de wet verboden. De achterliggende gedachte van artikel 57 Gwd is dat het niet wenselijk is dat door louter toeval een dier aan een mens toekomt. De houder van een dier dient daarvoor te kunnen zorgen en zich daarvan bewust te zijn. Door een dier middels een loterij te verkrijgen, wordt dit niet voldoende gewaarborgd. Dat de constructie eind jaren negentig door een rechter tijdens een zitting zou zijn aangedragen, toen deze kwestie ook ter discussie stond, heeft appellante niet met bewijs onderbouwd.
4. Het standpunt van appellante
Appellante heeft het volgende aangevoerd. Al 26 jaar bestaat de traditie dat aan het begin van het nieuwe seizoen van haar manege een open dag wordt georganiseerd, waarbij een waardecheque kan worden gewonnen van € 500,-. Met die cheque kan een pony worden verkregen. De winnaar van de waardecheque kan er ook voor kiezen de aanwezigen te laten bieden op die cheque. De hoogste bieder kan vervolgens de pony aanschaffen met de aldus verkregen cheque. De winnaar van de cheque ontvangt dan het geboden bedrag. Aangezien de pony meer waard is dan de waardecheque, kiest de winnaar vaak voor het laten bieden. Vooraf worden de deelnemers aan de verloting er op gewezen dat mogelijk een pony wordt verkregen en wat dat aan onder meer verzorging van de verkrijger vraagt, zodat zij zich daarvan bewust zijn. Naderhand wordt de daadwerkelijke verkrijger van de pony door appellante goed begeleid. Naar haar mening overtreedt zij hiermee artikel 57 Gwd niet. De constructie met de waardecheque is eind jaren negentig, in een strafzaak over dezelfde wettelijke bepaling, door een rechter als oplossing aangedragen.
5. De beoordeling van het geschil
5.1 In geschil is of verweerder op goede gronden het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom in bezwaar heeft gehandhaafd. In essentie staat ter beoordeling of de hier aan de orde zijnde activiteit in strijd is met artikel 57 Gwd. Daartoe overweegt het College als volgt.
5.2 Verweerder heeft ter zitting van het College verduidelijkt dat de last alleen ziet op het verloten van de waardecheque waarmee een pony kan worden verkregen, en niet op het (eventuele) bieden op die waardecheque waarmee de pony vervolgens door een ander dan de loterij-winnaar kan worden verkregen.
5.3 Op grond van de stukken en de nadere toelichting van appellante ter zitting is vast komen te staan dat de activiteit, waar de last onder dwangsom op ziet, het volgende inhoudt. Er vindt een verloting plaats, waarbij de winnaar een waardecheque van € 500,- wint. Deze waardecheque geeft de winnaar het recht op een pony. Het College is van oordeel dat hiermee in strijd wordt gehandeld met artikel 57 Gwd. De winnaar van de verloting heeft immers recht op een pony als prijs. De winnaar heeft weliswaar de keuze deze pony daadwerkelijk aan te schaffen of voor de voor de cheque geboden waarde te kiezen, en daarmee af te zien van het recht op de pony als prijs, maar dat neemt niet weg dat sprake is van een verloting waaraan als prijs - in de vorm van een exclusief recht op aanschaf - een dier is verbonden. Dat appellante als professional voor een goede begeleiding van de verkrijger van deze pony zorg draagt, kan niet afdoen aan het oordeel dat de activiteit in strijd is met artikel 57 Gwd. Dit geldt evenzeer voor de stelling van appellante dat de constructie met de waardecheque eind jaren negentig door een politierechter ter zitting is aangedragen, hetgeen overigens voor het College niet vast is komen te staan.
5.4 Bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat verweerder in redelijkheid de last onder dwangsom niet heeft kunnen opleggen, zijn gesteld noch gebleken.
5.5 Het beroep is ongegrond.
5.6 Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
6. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. M. van Duuren, mr. W.A.J. van Lierop en mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2012.
w.g. M. van Duuren w.g. P.H. Broier