ECLI:NL:CBB:2012:BV1535
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- M. van Duuren
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Rangorde in beleidstoepassing na wijziging kapitaallastenvergoeding GGz-instellingen niet onrechtmatig
In deze bestuursrechtelijke procedure staat de vraag centraal of de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) terecht haar beleid inzake de vergoeding van kapitaallasten voor gefuseerde GGz-instellingen heeft gewijzigd. De appellanten, bestaande uit veertien GGz-stichtingen, voeren aan dat de nieuwe beleidstoepassing, het zogenaamde Breda-model, leidt tot nieuwe ongelijkheden en inconsistenties die niet worden weggenomen.
Het geschil betreft de overgang van een t=0 benadering naar een t-1 benadering voor de berekening van kapitaallasten, waarbij het Breda-model de voorkeur heeft van de NZa. De appellanten stellen dat beide benaderingen tekortschieten, met name vanwege het ontbreken van vergoeding van productiegroei in 2002 en 2006, en dat de NZa onvoldoende heeft gemotiveerd waarom haar nieuwe beleid rechtens aanvaardbaar is.
Het College stelt vast dat de NZa met het Breda-model beoogt eerdere inconsistenties weg te nemen en dat in gevallen waar het Breda-model een lagere vergoeding oplevert, het initiële beleid wordt toegepast. Het College oordeelt dat deze rangorde in beleidstoepassing niet onaanvaardbaar is en dat de nieuwe besluiten niet onrechtmatig zijn. De beroepen worden daarom ongegrond verklaard, terwijl de beroepen tegen de oorspronkelijke besluiten voor tien appellanten niet-ontvankelijk worden verklaard wegens intrekking.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard; de herziene beleidstoepassing van de NZa is niet onrechtmatig.