ECLI:NL:CBB:2011:BQ3305
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Bestuursdwang tot inbewaringneming kat wegens verwaarlozing en ongeschikte huisvesting
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken tot bestuursdwang, waarbij haar kat per direct in bewaring werd genomen vanwege verwaarlozing en ongeschikte huisvesting. Uit inspecties en een dierenartsverklaring bleek dat de kat in een sterk vervuilde woning opgesloten zat, geen toegang had tot voedsel en water, en leed aan een verwaarloosde vlooienallergie en vermagering.
Verweerder handhaafde het bestuursdwangbesluit, stellende dat de spoedeisendheid en de onmogelijkheid voor appellante om de situatie te verbeteren het onmiddellijke optreden rechtvaardigden. Appellante voerde aan dat zij de kat goed verzorgde, dat zij op korte termijn maatregelen zou treffen, en dat het binnentreden zonder haar toestemming onrechtmatig was.
Het College oordeelde dat appellante de artikelen 36 en 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren had overtreden door het welzijn van de kat te benadelen en noodzakelijke verzorging te onthouden. Gezien de omstandigheden was het bestuursdwangbesluit terecht en spoedeisend. Het binnentreden was gerechtvaardigd op grond van de Algemene wet op het binnentreden. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestuursdwangbesluit tot inbewaringneming van de kat is ongegrond verklaard.