ECLI:NL:CBB:2010:BP3874

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
8 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/459
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 52 lid 1 WtraArt. 44 lid 2 Wet RAArt. 54f Wet op de Registeraccountants
Verwijzingen
5 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontvankelijkheid beroep tegen tuchtbeslissing in overgangsjaar Wet tuchtrechtspraak accountants

In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een beroep tegen een tuchtbeslissing centraal, genomen door de raad van tucht gedurende het overgangsjaar van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra).

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven stelde vast dat voor tuchtbeslissingen die tijdens het overgangsjaar van 1 mei 2009 tot 1 mei 2010 zijn genomen, de Wet op de Registeraccountants (Wet RA) zoals die vóór de inwerkingtreding van de Wtra luidde, van toepassing is. Dit betreft onder meer de regels omtrent het instellen van beroep tegen een beslissing van de raad van tucht.

Het College concludeerde dat het beroep binnen twee maanden na verzending van de aangetekende brief met de tuchtbeslissing moet worden ingesteld, en dat het beroepschrift met redenen omkleed bij de griffier van het College moet worden ingediend. Gelet op de feiten achtte het College aannemelijk dat de gronden van het beroep tijdig waren ontvangen, waardoor de behandeling van de zaak werd hervat.

Daarnaast werd vermeld dat ook een ander beroep tegen dezelfde tuchtbeslissing, geregistreerd onder een ander nummer, zal worden voortgezet.

Uitkomst: Het College verklaart het beroep ontvankelijk en besluit de behandeling van de zaak te hervatten.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 10/459 8 november 2010
20020 Wet op de Registeraccountants
Raad van tucht Den Haag
Beslissing ex artikel 54f van de Wet op de Registeraccountants in de zaak van:
A B.V., B B.V., C en D, allen te E, appellanten,
gemachtigde: mr. A.J. van Raalte, advocaat te Amsterdam,
in hun beroep, gericht tegen de beslissing van de raad van tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), met kenmerk
R 582 en R 588, gewezen op 25 maart 2010,
welke beslissing betrekking heeft op een klacht, ingediend door appellanten tegen
F RA en G RA, beiden kantoorhoudend te H (hierna: betrokkenen),
gemachtigde: mr. A.F.J.A. Leijten, advocaat te Amsterdam.
Op 7 oktober 2010 heeft het College het beroep van appellanten ter zitting behandeld, waarbij de behandeling zich, naar door het College van tevoren was aangekondigd, heeft beperkt tot de vraag of het beroep ontvankelijk is. Appellanten en betrokkenen hebben hun standpunt toegelicht bij monde van hun gemachtigden. Vervolgens heeft het College de behandeling van de zaak ter zitting gesloten.
Het College is voorshands van oordeel dat voor tuchtbeslissingen die de raden van tucht gedurende het in artikel 52, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (hierna: Wtra) bedoelde overgangsjaar - te weten van 1 mei 2009 tot 1 mei 2010 - hebben genomen, heeft te gelden dat, voor zover hier van belang, de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) in acht dient te worden genomen zoals die wet luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wtra, daaronder begrepen hetgeen eertijds in artikel 52 Wet Pro RA was bepaald omtrent het tegen een beslissing van de raad van tucht in te stellen rechtsmiddel.
Het College gaat, gelet op het vorenstaande, ervan uit dat tegen een beslissing van de raad van tucht, genomen tijdens bedoeld overgangsjaar, aangaande een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar beroep bij het College kan worden ingesteld binnen twee maanden na de dag van verzending van de aangetekende brief waarbij de raad van tucht afschrift van zijn beslissing heeft gezonden, en voorts dat het beroep bij de griffier van het College wordt ingesteld bij met redenen omkleed beroepschrift.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het door appellanten ingestelde beroep tegen de naar de eis van artikel 44, tweede lid, Wet RA op 25 maart 2010 bij aangetekende brief aan de gemachtigde van appellanten verzonden tuchtbeslissing, acht het College, gezien het relaas van bedoelde gemachtigde omtrent de indiening van de gronden van het beroep (waarvan betrokkenen de juistheid niet hebben bestreden), aannemelijk dat die gronden van het beroep tijdig, te weten op 25 mei 2010, door het College zijn ontvangen.
Het vorenstaande betekent dat de behandeling van de zaak wordt hervat. Overigens zal ook het door betrokkenen tegen voormelde tuchtbeslissing ingestelde beroep, bij het College geregistreerd onder nummer AWB 10/483, worden voortgezet.
De beslissing
Het College bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt hervat.
Aldus gegeven door mr. J.L.W. Aerts, mr. E.R. Eggeraat en mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede, als griffier, op 8 november 2010.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. C.G.M. van Ede