ECLI:NL:CBB:2008:BD5222
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaart beroep ongegrond inzake toeslagrechten GLB-inkomenssteun 2006
Appellante had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar toeslagrechten op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, waarbij verweerder haar toeslagrechten had vastgesteld op basis van het aantal vrouwelijke runderen in de referentieperiode 2000-2002. Appellante stelde dat zij meer runderen had aangemeld dan door verweerder waren erkend, vanwege een onjuist bijgehouden bedrijfsregister en vroeg om toepassing van artikel 40 van Pro Verordening (EG) nr. 1782/2003 over overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.
Het College oordeelde dat de formele rechtskracht van de eerdere besluiten die de weigering van slachtpremies voor bepaalde runderen bevestigden, niet ter discussie stond. De situatie van appellante, waarbij het bedrijfsregister niet aan het 'één-oogopslag'-criterium voldeed en oude registers waren weggegooid, kwalificeerde niet als overmacht of uitzonderlijke omstandigheden zoals bedoeld in artikel 40 van Pro de verordening.
Verder wees het College het beroep af dat het onredelijk was dat appellante vanwege eerdere fouten in het bedrijfsregister vanaf 2006 jaarlijks een lagere premie ontvangt. Het systeem van toeslagrechten is gebaseerd op de steun die in de referentieperiode is ontvangen, waarbij geen beleidsvrijheid bestaat om hiervan af te wijken. Ook een nieuwe stelling over niet-betrokken grond werd buiten beschouwing gelaten wegens tardiviteit. Ten slotte werd een kennelijke verschrijving in het besluit over akkerbouw in plaats van runderen als niet relevant voor de uitkomst beschouwd.
Het beroep werd ongegrond verklaard en een verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat het bestreden besluit niet werd herroepen.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de vaststelling van haar toeslagrechten wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.