ECLI:NL:CBB:2007:BA8559
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van quotumgebruik en pachtconstructie in melkveehouderij
Appellant beschikte over een melkquotum dat hij sinds 1997/1998 volledig verhuurde, maar vanaf 2004 was totaalverhuur niet meer toegestaan. Hij stelde een constructie voor waarbij hij een stal en melkinstallatie zou pachten en vee zou kopen van een andere producent, om zo zijn quotum te benutten zonder het te verplaatsen. Verweerder weigerde medewerking omdat dit volgens hem in strijd was met de Regeling superheffing en melkpremie 2004, met name artikel 22, dat rechtshandelingen zonder wezenlijke feitelijke verandering buiten beschouwing laat.
Het College stelt vast dat appellant zijn bedrijf als producent wil hervatten door toevoeging van productie-eenheden, en dat de pacht en koopovereenkomst niet zonder meer kunnen worden genegeerd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze rechtshandelingen geen wezenlijke feitelijke verandering teweegbrengen. Ook is niet duidelijk of de feitelijke verhoudingen op het gepachte bedrijf daadwerkelijk ongewijzigd blijven. Het besluit van verweerder bevat een motiveringsgebrek en voldoet niet aan de vereisten van artikel 7:12 Awb Pro.
Het College vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op opnieuw te besluiten, waarbij ook het verzoek om schadevergoeding en proceskostenvergoeding moet worden betrokken. Het griffierecht wordt aan appellant vergoed en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €644.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering en onjuiste toepassing van de Regeling.