ECLI:NL:RVS:2026:988
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en toekenning opvang in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 8 oktober 2025 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 3 februari 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 27 februari 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is bepaald dat verzoeker opvang en verstrekkingen krijgt gedurende deze periode. De minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, ter hoogte van €934,00, toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is gebaseerd op de belangenafweging en eerdere jurisprudentie, waarbij het belang van verzoeker om niet uitgezet te worden en toegang tot opvang zwaarder weegt zolang het hoger beroep nog niet is beslist.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet en krijgt opvang totdat het hoger beroep is beslist.