Uitspraak
1.ECLI:NL:RBDHA:2025:14097.
5.ECLI:NL:RBDHA:2025:14097.
10.ECLI:NL:RVS:2025:3153.
Kamerstukken II2024-25, 19 637, nr. 3435.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende jongvolwassene, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van een persoonlijk risico bij terugkeer naar Syrië. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat zijn eerdere problemen met de Al Massalma clan opnieuw tot gevaar zouden leiden. Hoewel de minister de problemen geloofwaardig achtte, vond zij ze niet zwaarwegend genoeg voor bescherming.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen recente incidenten of individuele omstandigheden had aangevoerd die een verhoogd risico op willekeurig geweld of ernstige schade bij terugkeer aannemelijk maken. Het Algemeen Ambtsbericht Syrië en recente cijfers van Syria Weekly bevestigden een relatief laag niveau van willekeurig geweld in Syrië. Eiser bracht geen tegenbewijs in.
Verder werd het verzoek om aanhouding van de procedure afgewezen, en de medische klachten van eiser werden niet onderbouwd met medische stukken, waardoor geen uitstel van vertrek werd toegekend. De rechtbank concludeerde dat het terugkeerbesluit rechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.