ECLI:NL:RVS:2026:982
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen beroep mogelijk tegen niet tijdig toewijzen woning aan vergunninghouder
Appellant, een vergunninghouder met een tijdelijke verblijfsvergunning sinds 11 november 2024, stelde beroep in tegen het college van burgemeester en wethouders van Hattem wegens het niet tijdig aanbieden van een woning. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd omdat er geen sprake was van een besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of van feitelijk handelen als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel degelijk bij de bestuursrechter moet kunnen procederen als hem niet tijdig een woning wordt aangeboden. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat artikel 28 van Pro de Huisvestingswet geen publiekrechtelijke grondslag biedt voor het nemen van een besluit over woningtoewijzing binnen een bepaalde termijn. Ook artikel 32 van Pro de Kwalificatierichtlijn (2011/95/EU) verleent geen recht op tijdige woningtoewijzing.
Verder oordeelde de Afdeling dat het nalaten van het college niet gelijkgesteld kan worden aan een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, omdat deze bepaling beperkt is tot feitelijke handelingen ter uitvoering van de Vw 2000. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk en de rechtbank heeft terecht zich onbevoegd verklaard. Het hoger beroep is ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard omdat het niet tijdig toewijzen van een woning geen besluit is waartegen beroep openstaat.