ECLI:NL:RVS:2026:2736
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep tegen niet-opname in taakstelling huisvesting vergunninghouders
Appellant, houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, werd door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers aangemeld voor huisvesting bij de gemeente Alphen aan den Rijn. Op 21 februari 2024 werd telefonisch medegedeeld dat appellant niet in de taakstelling voor huisvesting van vergunninghouders wordt opgenomen en geen passende woning wordt aangeboden, omdat hij op grond van een eerdere verblijfstitel al aanspraak had kunnen maken.
Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar, dat door het college niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 2 juli 2024 ongegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de telefonische mededeling geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en ook niet gelijkgesteld kan worden aan een besluit op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikel strekt tot bescherming tegen rechtens relevante handelingen die verricht zijn ter uitvoering van de Vreemdelingenwet, terwijl hier sprake is van een feitelijke handeling in het kader van de Huisvestingswet.
De Afdeling bevestigt dat tegen feitelijke handelingen op grond van de Huisvestingswet geen beroep openstaat bij de bestuursrechter, ook niet op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet. De eerdere jurisprudentie waarop appellant zich beroept betreft feitelijke handelingen binnen het vreemdelingenrechtelijk kader, wat hier niet aan de orde is.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.