ECLI:NL:RVS:2026:965

Raad van State

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
202600264/3/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 WooArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen hernieuwde beslissing op bezwaar Woo-verzoek burgemeester Rotterdam

De burgemeester van Rotterdam heeft op 11 juli 2024 een verzoek van de wederpartij op grond van de Wet open overheid (Woo) niet in behandeling genomen. De wederpartij verzocht om openbaarmaking van diverse documenten over bestuursdwang en sluiting van panden door de gemeente over een periode van negen jaar.

De rechtbank Rotterdam oordeelde op 24 december 2025 dat de burgemeester het Woo-verzoek ten onrechte buiten behandeling had gesteld en dat onvoldoende was aangetoond dat de wederpartij misbruik van recht maakte. De rechtbank vernietigde het besluit van 16 december 2024 en beval de burgemeester binnen zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.

De burgemeester stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij niet direct een nieuw besluit hoefde te nemen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van de burgemeester om geen uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij onmiddellijke openbaarmaking.

Daarom werd de uitspraak van de rechtbank geschorst en bepaald dat de burgemeester geen nieuw besluit hoeft te nemen totdat de Afdeling bestuursrechtspraak in de bodemprocedure uitspraak heeft gedaan. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt geschorst en de burgemeester hoeft geen nieuw besluit te nemen totdat de bodemprocedure is afgerond.

Uitspraak

202600264/3/A3.
Datum uitspraak: 20 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
de burgemeester van Rotterdam,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2025 in zaak nr. 24/12000 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in [woonplaats],
en
de burgemeester.
Procesverloop
Bij besluit van 11 juli 2024 heeft de burgemeester een verzoek van [wederpartij] op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) niet in behandeling genomen.
Bij besluit van 16 december 2024 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 december 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingesteld beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 december 2024 vernietigd en de burgemeester opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft de burgemeester de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
2.       [wederpartij] verzoekt samengevat om openbaarmaking en toezending van alle stukken over het al dan niet met toepassing van bestuursdwang sluiten van onder meer woningen, panden en percelen door de gemeente. Hij wil in ieder geval alle correspondentie, (voornemens tot) besluiten, verzoeken tot opening, bestuurlijke rapportages, controlerapporten, zienswijzen, alle stukken van juridische procedures, alle interne communicatie, verslagen, facturen van advocaten, en kosten van interne en externe communicatie over een periode van negen jaar ontvangen.
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester het Woo-verzoek van [wederpartij] niet buiten behandeling had mogen stellen met toepassing van artikel 4.6 van de Woo. De burgemeester heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [wederpartij] kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie en misbruik van recht heeft gemaakt. De burgemeester moet van de rechtbank opnieuw op het bezwaar beslissen.
4.       De burgemeester heeft hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat het nog geen gevolg hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank. De burgemeester wil voorkomen dat het hangende het hoger beroep een nieuw besluit moet nemen. De burgemeester meent dat, als het een inhoudelijk besluit moet nemen, er onomkeerbare gevolgen ontstaan. Ter ondersteuning van zijn standpunt wijst de burgemeester op de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4898.
5.       De voorzieningenrechter zal het verzoek beoordelen aan de hand van een belangenafweging. Net als in de door de burgemeester genoemde uitspraak is de voorzieningenrechter in dit geval van oordeel dat de uitspraak van de rechtbank moet worden geschorst, totdat de Afdeling in de bodemprocedure uitspraak heeft gedaan. Afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zou namelijk betekenen dat de burgemeester gehouden is gevolg te geven aan de uitspraak van de rechtbank en werkzaamheden moet gaan verrichten om een besluit voor te bereiden, terwijl het zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] misbruik van recht maakt en het verzoek daarom op grond van artikel 4.6 van de Woo buiten behandeling mocht worden gesteld. Mede omdat niet is gebleken dat [wederpartij] een bijzonder eigen belang heeft bij openbaarmaking van de gevraagde documenten op korte termijn, weegt het belang van de burgemeester om geen uitvoering te hoeven geven aan de uitspraak van de rechtbank in dit geval zwaarder. De burgemeester hoeft dus voorlopig geen inhoudelijk besluit te nemen.
6.       De voorzieningenrechter zal daarom de na te melden voorlopige voorziening treffen.
7.       De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        schorst de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2025 in zaak nr. 24/12000;
II.       bepaalt dat de burgemeester van Rotterdam geen nieuw besluit hoeft te nemen op het bezwaar van [wederpartij], totdat de Afdeling in de bodemprocedure uitspraak heeft gedaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Konings
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026
612