ECLI:NL:RVS:2026:918

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
202501864/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. de Groot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 9.1 WhtArt. 6:22 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek overname private schuld door Belastingdienst in kinderopvangtoeslagaffaire

Appellante, erkend gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om overname van haar private schuld bij ABN AMRO van €18.086,00. De minister nam slechts €510,00 over, omdat alleen dat deel vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit in hoger beroep.

De Afdeling oordeelt dat de schuld een flexibel krediet betreft dat pas opeisbaar wordt na twee maanden betalingsachterstand, ingebrekestelling en uitblijven van betaling. Appellante kon niet aantonen dat zij vóór 1 juni 2021 in gebreke was gesteld. De minister hoefde de hardheidsclausule niet toe te passen omdat de omstandigheden niet als schrijnend of onbillijk van overwegende aard zijn aangemerkt.

Verder is vastgesteld dat de minister de hoorplicht heeft geschonden door appellante niet te horen bij het bezwaar, maar dit heeft haar belangen niet geschaad. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de overname van de private schuld bevestigd.

Uitspraak

202501864/1/A2.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 20 februari 2025 in zaak nr. 24/56 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 29 augustus 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] tot overname van haar schuld bij ABN AMRO afgewezen.
Bij besluit van 21 februari 2023 heeft de minister, als rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.R.R. Oevering, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door A.R. Kandhai en mr. E.C.I. Ramlal, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).
2.       In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. De voor dit geschil relevante bepalingen van die wet zijn opgenomen in de bijlage.
Inleiding
3.       [appellante] is erkend gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft verzocht om overname van haar private schuld bij ABN AMRO van € 18.086,00, thans overgenomen door incassobureau Flanderijn. Het is een doorlopend krediet dat zij in 2009 is aangegaan.
Besluitvorming
4.       De minister heeft geconstateerd dat de schuld bij ABN AMRO een flexibel krediet is. Zo’n schuld wordt ingevolge artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht niet overgenomen, tenzij de hoofdsom vanwege betalingsachterstanden vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Ook worden de betalingsachterstanden van vóór 1 juni 2021 overgenomen.
5.       De minister heeft € 510,00 van de schuld overgenomen. Dit deel van de vordering was vóór 1 juni 2021 opeisbaar. Voor het overige deel van de schuld, een bedrag van € 17.575,00, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat dit niet voor die datum opeisbaar was.
Uitspraak van de rechtbank
6.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht de schuld van € 17.575,00 niet heeft overgenomen. Uit de Voorwaarden Flexibel Krediet van ABN AMRO (de Voorwaarden) volgt dat het krediet volledig opeisbaar is op het moment dat de kredietnemer twee maanden betalingsachterstand heeft, door de bank in gebreke is gesteld en betaling desondanks is uitgebleven. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij vóór 1 juni 2021 door de bank in gebreke is gesteld. De schuld voldoet niet aan het vereiste van opeisbaarheid, gesteld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht.
7.       De minister hoefde ook niet de hardheidsclausule toe te passen. [appellante] heeft geen omstandigheden aangevoerd, op grond waarvan moet worden aangenomen dat toepassing van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard of een schrijnende situatie, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Formele gronden
8.       [appellante] heeft op de zitting bij de Afdeling aangevoerd dat de minister ten onrechte niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. In het besluit op bezwaar van 21 februari 2023 wordt verwezen naar e-mailcorrespondentie met NVVK van oktober 2022, maar deze heeft zij nooit ingezien.
8.1.    In het besluit op bezwaar van 21 februari 2022 staat: "In uw e-mail van 6 oktober 2022 heeft [u] ook gewezen op het nieuwsbericht "Toeslagen neemt private schulden gedupeerde ouders over" van 25 mei 2021 van Rijksoverheid. U stelt [dat] u er daarom op mocht vertrouwen dat uw volledige schuld zou worden overgenomen." Hieruit blijkt dat [appellante] zelf de e-mail van oktober 2022, waarop zij doelt, aan de minister heeft verzonden. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister ten onrechte dit stuk niet heeft overgelegd. Overigens blijkt uit het beroepschrift en het aanvullend beroepschrift dat [appellante] in bezwaar werd vertegenwoordigd door NVVK. Voor zover NVVK beschikte over de e-mailcorrespondentie, en niet alle stukken in de overdracht van de voormalige gemachtigde naar de huidige gemachtigde zijn overgelegd, kan dit de minister niet worden toegerekend. Verder heeft [appellante] gesteld, noch onderbouwd dat er andere op de zaak betrekking hebbende stukken zijn die ten onrechte niet door de minister zijn overgelegd. Het betoog slaagt niet.
9.       [appellante] voert verder aan dat de minister haar, in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord voordat op het bezwaar is beslist.
9.1.    De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat [appellante] niet is gehoord voordat op het bezwaar is beslist. De minister heeft geen van de in artikel 7:3 van Pro de Awb genoemde redenen naar voren gebracht waarom van het horen in bezwaar is afgezien. Dit betekent dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. [appellante] is hierdoor evenwel niet in haar belangen geschaad. Zij heeft haar standpunten in beroep en hoger beroep alsnog mondeling kunnen toelichten. De Afdeling ziet daarom aanleiding om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
9.2.    Het voorgaande betekent dat [appellante], wat betreft de formele grond dat de hoorplicht is geschonden, gelijk heeft, maar dat dit geen gevolgen heeft voor het besluit van 21 februari 2023. Het betoog leidt daarmee niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling zal hierna de overige daartegen gerichte gronden beoordelen.
Opeisbaarheid
10.     [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de volledige hoofdsom van de schuld bij ABN AMRO opeisbaar is geworden. Er is voldaan aan de vereisten voor opeisbaarheid als bepaald in de Voorwaarden. Uit de brief van ABN AMRO van 29 oktober 2021 volgt immers dat de bank [appellante] vóór 1 juni 2021 herhaaldelijk schriftelijk heeft aangemaand om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Uiteindelijk heeft ABN AMRO de volledige uitstaande hoofdsom opgeëist. Dat [appellante] geen aanmaningen van vóór 1 juni 2021 heeft overgelegd, doet daaraan niet af. Het is aan de minister om aannemelijk te maken dat er geen betalingsachterstanden waren voor die datum, aldus [appellante].
10.1.  In geschil is een schuld die voortkomt uit een kredietovereenkomst tussen [appellante] en ABN AMRO, met referentie 6.96.70.878. Op grond van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, in samenhang gelezen met artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht, wordt de hoofdsom van zo’n lening overgenomen, als die vanwege betalingsachterstanden vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Voor de vraag of de hoofdsom van het doorlopend krediet opeisbaar is, is onder meer van belang wat daarover in de Voorwaarden is bepaald. Hierbij is niet van belang of de schuldeiser ook daadwerkelijk al stappen tot invordering of opeising heeft gezet (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5101).
10.2.  In de Voorwaarden staat dat het krediet volledig opeisbaar is op het moment dat de kredietnemer twee maanden betalingsachterstand heeft, door de bank in gebreke is gesteld en betaling desondanks is uitgebleven. Anders dan [appellante] betoogt, kan niet in de brief van 29 oktober 2021 worden gelezen dat zij vóór 1 juni 2021 door ABN AMRO in gebreke is gesteld. Hoewel daarin staat dat meerdere brieven zijn gestuurd over het niet voldoen aan de betalingsverplichtingen, kan daaruit niet worden afgeleid dat [appellante] daadwerkelijk eerder in gebreke is gesteld. Ook uit de correspondentie tussen de Sociale Banken Nederland en Flanderijn volgt dat de betalingsachterstand op 31 mei 2021 totaal € 510,00 was, het bedrag dat door de minister is overgenomen. Daartegenover heeft [appellante] niet met gegevens onderbouwd, bijvoorbeeld met het overleggen van een ingebrekestelling van vóór 1 juni 2021, dat de volledige hoofdsom eerder opeisbaar was. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat (de hoofdsom van) het doorlopend krediet bij ABN AMRO niet opeisbaar was binnen de referteperiode. Het betoog slaagt niet.
Hardheidsclausule
11.     [appellante] betoogt dat de minister ten onrechte niet de hardheidsclausule heeft toegepast. Het niet overnemen van de volledige schuld leidt in haar geval tot een onbillijkheid van overwegende aard. [appellante] is in ernstige financiële problemen geraakt door de kinderopvangtoeslagaffaire. Het ontstaan en bestaan van de schuld is het directe gevolg van het handelen van de Belastingdienst/Toeslagen. Verder heeft zij door de schuldenproblematiek mentaal en fysiek geleden. Om te voorkomen dat zij blijft zitten met de schulden, moet de volledige hoofdsom van het doorlopend krediet worden overgenomen.
11.1.  In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan, gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
11.2.  Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf, gelet op de ratio ervan, onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien, is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzondere of schrijnende situatie in zijn of haar geval uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk moet onderbouwen.
11.3.  De Afdeling is van oordeel dat de minister de hardheidsclausule niet hoefde toe te passen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet overnemen van de private schulden onbillijk uitpakt of dat er sprake is van schrijnende omstandigheden. De door [appellante] naar voren gebrachte omstandigheden zijn geen actuele omstandigheden die samenhangen met de besluitvorming in het kader van de schuldenregeling of de gevolgen daarvan, maar volgen uit de terugvordering van kinderopvangtoeslagen. Voor het herstellen van dit onrecht bestaan de compensatieregeling en de O/G-tegemoetkoming, de forfaitaire regeling en in sommige gevallen een aanvullende vergoeding van werkelijke schade. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
12.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Verzoek om schadevergoeding
13.     [appellante] heeft hangende het hoger beroep een verzoek om schadevergoeding gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn.
13.1.  In zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan, is de redelijke termijn in beginsel overschreden als de totale duur van de procedure langer dan vier jaar heeft geduurd. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
13.2.  De minister heeft het bezwaarschrift van [appellante] ontvangen op 8 september 2022. Op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan, is de redelijke termijn niet overschreden. Dat betekent dat [appellante] geen recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
13.3.  De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
13.4.  Voor zover [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over het verzoek om schadevergoeding, volgt uit de door [appellante] overgelegde stukken niet dat zij in beroep heeft verzocht om schadevergoeding. De rechtbank hoefde daarover dus geen oordeel te geven.
Proceskosten
14.     De minister moet de proceskosten van het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af;
III.      veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV.     gelast dat de minister van Financiën aan [appellante] het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
1062
BIJLAGE - WETTELIJK KADER
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 7:2
1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
2. Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,
c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
e. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
[…].
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
[…].
4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:
[…].
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;
[…].
Artikel 9.1. Hardheidsclausule
1. De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 2.15b, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;
[…].