ECLI:NL:RVS:2026:913

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
202403847/2/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.30 WroArt. 2.10 lid 2 WaboArt. 3.2.1 planregelsArt. 6:19 AwbArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning en herstelbesluiten voor woongebouw Laanweg 55-57 Schoorl

Het beroep richt zich tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woongebouw met 12 appartementen aan de Laanweg 55a-55n in Schoorl. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft eerder geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning van 8 mei 2024 in strijd met de Wabo heeft verleend, omdat twee bergingen buiten het toegestane aanduidingsvlak zijn gesitueerd zonder afweging van afwijking.

Het college heeft vervolgens twee herstelbesluiten genomen, maar deze bleken eveneens niet zorgvuldig en in strijd met de Awb te zijn genomen. Het beroep van appellanten sub 1 en anderen is daarom gegrond voor zover het gericht is tegen deze besluiten, die worden vernietigd. Het beroep van appellanten sub 2 is niet-ontvankelijk omdat zij geen belanghebbende waren bij het eerdere besluit en het tweede herstelbesluit hen niet in een nadeliger positie bracht.

De Afdeling bepaalt dat het college opnieuw moet beslissen over de omgevingsvergunning op basis van de huidige aanvraag, waarbij de Wabo van vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellanten sub 1 en anderen. Het bestemmingsplan blijft in stand omdat het beroep daartegen ongegrond is verklaard.

Uitkomst: De omgevingsvergunning en herstelbesluiten worden vernietigd; het bestemmingsplan blijft in stand; het college moet opnieuw beslissen en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

202403847/2/R1.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.       [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Schoorl, gemeente Bergen (NH),
2.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Schoorl, gemeente Bergen (NH),
appellanten,
en
1.       de raad van de gemeente Bergen (NH),
2.       het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH),
verweerders.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1818, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na verzending van die tussenuitspraak het daarin omgeschreven gebrek in het besluit van het college van 9 mei 2024 (lees: 8 mei 2024) te herstellen en een nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.
Bij besluit van 6 juni 2025 (hierna: het eerste herstelbesluit) heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak opnieuw, na wijziging van de aanvraag, een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woongebouw met 12 appartementen en bergingen op het adres Laanweg 55a tot en met 55n in Schoorl.
[appellant sub 1] en anderen hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een zienswijze naar voren gebracht over het eerste herstelbesluit.
[appellant sub 1] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 2 oktober 2025 (hierna: het tweede herstelbesluit) heeft het college, na een volgende aanpassing van de aanvraag, het eerste herstelbesluit gewijzigd.
De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 7 oktober 2025, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], bijgestaan door ing. F. Zomers, en de raad en het college, vertegenwoordigd door M. Knol MSc, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [partij]., vertegenwoordigd door [gemachtigden], vergezeld door ing. R.G.M. Louwes, als partij gehoord.
[appellant sub 1] en anderen en [partij]. hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, zienswijzen naar voren gebracht over het tweede herstelbesluit.
[appellanten sub 2] hebben beroep ingesteld tegen het tweede herstelbesluit.
[appellant sub 1] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een derde zitting behandeld op 11 december 2025, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], bijgestaan door ing. F. Zomers, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 2A], en de raad en het college, vertegenwoordigd door M. Knol MSc, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], vergezeld door ing. R.G.M. Louwes, als partij gehoord.
Overwegingen
Het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover gericht tegen het besluit van de raad van 25 april 2024 en tegen het besluit van het college van 8 mei 2024
1.       Het beroep van [appellant sub 1] en anderen richt zich tegen het besluit van de raad van 25 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Laanweg 55-57 Schoorl" (hierna: het bestemmingsplan) en het besluit van het college van 8 mei 2024 tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woongebouw met 12 appartementen en bergingen op het adres Laanweg 55a tot en met 55n in Schoorl. Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.
2.       De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat de beroepsgronden van [appellant sub 1] en anderen die tegen het bestemmingsplan zijn gericht, niet slagen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak verder geoordeeld dat het college met zijn besluit van 8 mei 2024 een omgevingsvergunning heeft verleend in strijd met artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). In het bouwplan waarvoor het college de omgevingsvergunning heeft verleend, zijn namelijk twee bergingen gesitueerd buiten het aanduidingsvlak waar bijgebouwen zijn toegestaan. Dat is in strijd met artikel 3.2.1, aanhef en onder b, van de planregels, maar uit de omgevingsvergunning blijkt niet dat het college heeft afgewogen of het bevoegd en bereid is om op dit punt van het bestemmingsplan af te wijken. De Afdeling heeft het college daarom opgedragen om dit gebrek te herstellen.
3.       Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover het is gericht tegen het besluit van de raad van 25 april 2024, ongegrond is. Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen het besluit van het college van 8 mei 2024. Dat laatste besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo.
Het beroep van [appellanten sub 2] tegen het tweede herstelbesluit
4.       Vanwege het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van andere partijen kan niet worden aanvaard dat tegen een herstelbesluit dat hangende de procedure wordt genomen, beroep wordt ingesteld door een belanghebbende die geen beroep heeft ingesteld tegen het eerdere besluit. Dat betekent dat een belanghebbende alleen maar kan opkomen tegen het herstelbesluit voor zover dat besluit deze belanghebbende ten opzichte van het oorspronkelijke besluit in een nadeliger positie heeft gebracht of als door gewijzigde feiten of omstandigheden de belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen het eerdere besluit. Vergelijk onder meer de uitspraken van de Afdeling van 11 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3771, onder 6.1, en van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3735, onder 5.1.
5.       De Afdeling stelt vast dat [appellanten sub 2] weliswaar beroep hebben ingesteld tegen het tweede herstelbesluit, maar niet tegen het besluit van 8 mei 2024 en ook niet tegen het eerste herstelbesluit. Zij hebben daarover op de derde zitting toegelicht dat zij pas na het bekend maken van het besluit van 8 mei 2024 eigenaar zijn geworden van een woning in de omgeving van het adres Laanweg 55a tot en met 55n en in die woning zijn gaan wonen. Op het moment van het bekend maken van het eerste herstelbesluit waren zij echter wel eigenaar van die woning en woonden zij ook ter plaatse. Gelet daarop is niet gebleken van omstandigheden die maken dat hen redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen het eerste herstelbesluit. Verder heeft het tweede herstelbesluit hen niet in een nadeliger positie gebracht ten opzichte van het eerste herstelbesluit. Daarom komt [appellanten sub 2] geen beroepsrecht toe. Hun beroep is niet-ontvankelijk.
Het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor zover gericht tegen het eerste en tweede herstelbesluit
6.       Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
6.1.    Het eerste herstelbesluit vervangt het besluit van 8 mei 2024. Het tweede herstelbesluit wijzigt het eerste herstelbesluit. De herstelbesluiten zijn, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, onderwerp van dit geding. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen moet daarom worden geacht ook te zijn gericht tegen de herstelbesluiten. De omstandigheid dat de herstelbesluiten zijn genomen op basis van gewijzigde aanvragen maakt dit niet anders, omdat het gaat om wijzigingen die van ondergeschikte aard zijn. Wat [appellant sub 1] en anderen in hun zienswijzen tegen de herstelbesluiten naar voren brengen, zal de Afdeling aanmerken als de gronden van het beroep van rechtswege tegen de herstelbesluiten.
7.       De beroepsgronden van [appellant sub 1] en anderen tegen het eerste herstelbesluit gaan onder meer over de vrees voor brandoverslag vanuit de bergingen van het appartementencomplex zoals die in dat besluit zijn voorzien. De Afdeling begrijpt dat het college en [partij] die vrees bij nader inzien niet ongegrond achten. Mede om die reden is op basis van een gewijzigde aanvraag het tweede herstelbesluit genomen.
Tegen het tweede herstelbesluit voeren [appellant sub 1] en anderen onder meer aan dat de bergingen opnieuw niet volledig zijn voorzien in het aanduidingsvlak waar op grond van het bestemmingsplan bijgebouwen zijn toegestaan. De Afdeling begrijpt dat het college en [partij] ook dat bij nader inzien niet ongegrond achten. Mede om die reden heeft [partij] opnieuw een gewijzigde aanvraag ingediend, zo begrijpt de Afdeling uit de brief van het college van 27 november 2025 en de toelichting daarop op de derde zitting, waarop echter nog moet worden beslist door het college.
De Afdeling leidt uit het voorgaande af dat de beide herstelbesluiten in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn genomen. Dit betekent dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen alleen al om die reden gegrond is voor zover dit is gericht tegen de beide herstelbesluiten, en dat die besluiten moeten worden vernietigd.
Conclusie
8.       Het beroep van [appellanten sub 2] is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ongegrond voor zover het is gericht tegen het besluit van de raad van 25 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan. Daarom blijft dat besluit in stand. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is voor het overige gegrond. De besluiten van het college van 8 mei 2024, 6 juni 2025 en 2 oktober 2025, waarbij omgevingsvergunning (gewijzigd) is verleend, moeten worden vernietigd.
9.       Het voorgaande brengt mee dat het college opnieuw op de aanvraag om omgevingsvergunning moet beslissen zoals die nu bij het college voorligt. De Afdeling hecht eraan op te merken dat, hoewel die aanvraag onder meer voorziet in een verschuiving van de positie van het hoofdgebouw, het ook nu om een wijziging van ondergeschikte aard gaat. Daarbij is van belang dat de verschuiving zowel in absolute zin als in relatie tot de totale grootte van het perceel beperkt is, terwijl binnen het bouwvlak van het bestemmingsplan wordt gebleven. Dit betekent dat ook op het nieuw te nemen besluit de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing is. Tegen dat besluit kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling.
10.     Het college moet de proceskosten van [appellant sub 1] en anderen vergoeden. Bij het vaststellen van de hoogte daarvan houdt de Afdeling rekening met het feit dat [appellant sub 1] in het proceskostenformulier dat hij heeft ingeleverd bij de eerste zitting in deze zaak, uitdrukkelijk heeft verklaard dat er op dat moment geen sprake was van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het moet er daarom voor worden gehouden dat ing. Zomers niet in een beroepsmatige hoedanigheid heeft deelgenomen aan de eerste zitting. Verder moeten de zienswijzen over de beide herstelbesluiten, gezien de kop en de ondertekening ervan, worden geacht door [appellant sub 1] zelf te zijn opgesteld en niet door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener. Om die reden wordt ervan uitgegaan dat [appellant sub 1] alleen kosten in verband met het verlenen van rechtsbijstand heeft gemaakt vanwege het verschijnen van ing. Zomers tijdens de tweede en derde zitting. Voor het overige heeft [appellant sub 1] alleen reiskosten geclaimd voor het bijwonen van de tweede zitting.
Het college hoeft de proceskosten van [appellanten sub 2] niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk;
II.       verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen ongegrond voor zover het is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Bergen (NH) van 25 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Laanweg 55-57 Schoorl";
III.      verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor het overige gegrond;
IV.      vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) van 8 mei 2024, kenmerk D759726, van 6 juni 2025, kenmerk D870973, en van 2 oktober 2025, kenmerk D2025-00053942;
V.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.911,81, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
195-1136